Het geheim van Vlaanderen

Met jaloerse ogen kijken Nederlandse filmmakers naar de zuiderburen. De Vlaamse film bloeit als nooit tevoren. The Broken Circle Breakdown draait nog volop, volgende week gaat Offline in première en op het Filmfestival Rotterdam zijn ook weer volop Belgische films te zien. Wat is hun geheim?

Matthias Schoenaerts (links) en Jeroen Perceval in Rundskop van Michaël R. Roskam.

‘Zo’n film als Rundskop, die zou in Nederland dus nooit van z’n levensdagen gemaakt kunnen worden.” Dat was de afgelopen twee jaar waarschijnlijk de meest gehoorde verzuchting op borrels in de Nederlandse filmwereld. Rundskop, om even het geheugen op te frissen, was het speelfilmdebuut van regisseur Michaël R. Roskam die in België in 2011 in korte tijd een half miljoen bezoekers naar de bioscopen trok, diverse prijzen won, acteur Matthias Schoenaerts internationaal op de kaart zette en tot slot een Oscarnominatie in de wacht sleepte.

Rundskop was geen boekverfilming, er speelden geen volkszangers of tv-sterren de hoofdrol in, hij was gesproken in streektaal en vertelde een duister verhaal over geweld, trauma en mannelijkheid tegen de achtergrond van de Limburgse hormoonmaffia. En oh ja. Rundskop was niet wat we hier in Nederland een publieksfilm noemen, een film die al op voorhand gemaakt is om een groot publiek te behagen. Want dat is een heikel streven hebben we onlangs weer gezien met Het bombardement.

Rundskop was eigenlijk meer een artfilm of wat dan eufemistisch een ‘kleine film’ heet, in ieder geval eentje van een regisseur met een visie die risico’s durfde te nemen. En daar succes mee had. En een beetje geluk.

Gebroeders Dardenne

Rundskop was niet de enige film waar men het over had. Want de Vlaamse film is overal. Bij de Oscars. Op internationale filmfestivals. En ook Nederlandse bioscoopbezoekers ontkomen er niet aan. Afgelopen december beleefde het bluegrassrouwdrama The Broken Circle Breakdown zijn Nederlandse première, volgende week alweer gevolgd door Offline, een sociaal-realistische film over een gevangene die zijn leven weer probeert op te bouwen in de stijl van de gebroeders Dardenne.

Waar die twee broers Jean-Pierre en Luc met z’n tweeën de hele Waalse film aanvoeren, kent het succes van de Vlaamse film niet echt één voortrekker. Het is een cinema van diversiteit. Van uiteenlopende figuren en stijlen als reclamemaker Koen Mortier die de filmwereld letterlijk op z’n kop zette met het vuige en voze Ex-Drummer (2007) tot het verstilde zwart-witte en geheel met acteurs met het syndroom van Down gedraaide En waar de sterre bleef stille staan (2010) van Gust van den Berghe. „De Vlaamse film is”, zei ex-journalist en huidige directeur van het Filmfestival Gent Patrick Duynslaegher eens, „net zo divers als de Belgische popmuziek. En even succesvol.” Dat voor Offline de samenwerking werd gezocht met de populaire band Triggerfinger voor de soundtrack mag dan ook niet helemaal toeval heten. Muziek en film vinden elkaar in een gedeelde mentaliteit. Als voorloper van de Vlaamse new wave wordt niet voor niets vaak Any Way the Wind Blows genoemd, een film van Deus-voorman Tom Barman uit 2003.

Maar het begon waarschijnlijk allemaal echt in 2008 met het succes van Aanrijding in Moscou van Christophe van Rompaey. De film over een gewelddadige en romantische liefdesgeschiedenis in een Gentse volkswijk. In plat Gents. Rauw, grauw en realistisch. De film veroverde de harten van het publiek en bewees dat de kloof tussen commerciële publieksfilm en authentieke auteursfilm helemaal niet zo groot hoeft te zijn als vaak wordt gedacht.

In 2009 overdonderde De helaasheid der dingen van regisseur Felix van Groeningen het Filmfestival Cannes met blote mannen die over de Croisette fietsten. Het was een triomfjaar. Tijdens hetzelfde festival draaide in Cannes ook Lost Persons Area van Caroline Strubbe en Altiplano van regisseursduo Peter Brosens en Jessica Woodworth van wie La cinquième saison afgelopen jaar simultaan in Venetië en Toronto in première ging en op de verlanglijst staat voor Rotterdam. Ondertussen staan de bezoekcijfers voor al die films historisch hoog: de afgelopen jaren had de Vlaamse film in eigen land een marktaandeel van rond de 20 procent. Iets wat we in Nederland alleen halen als we een ongekend kassucces zoals Gooische vrouwen hebben.

Jaloerse ogen

Niet alleen aan de borreltafel kijkt men met jaloerse ogen naar het succes van de Vlaamse film. In elk interview met een Vlaamse regisseur wordt hij ondervraagd over het geheim van de Vlaamse film en onlangs toog zelfs het blad van de Dutch Directors Guild, de belangenvereniging van Nederlandse filmregisseurs, naar Brussel om Pierre Drouot (1943) aan de tand te voelen, de directeur van het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF) sinds 2005. Drouot is het geheime wapen achter het succes: sinds zijn aantreden reorganiseerde hij het fonds, haalt hij met Screen Flanders internationale filmproducties naar België en profiteert de hele industrie van de gunstige belastingmaatregelen die er voor film in België gelden.

Het Vlaams Audiovisueel Fonds wordt geprezen om z’n beleid, dat projecten niet beoordeelt op hun potentiële publieksbereik zoals in Nederland steeds meer het geval lijkt, maar op z’n eigen, interne kwaliteiten. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen artistieke en publieksfilms. En er wordt enorm geïnvesteerd in ontwikkeling: projecten mogen mislukken. En voordat daar dan weer misverstanden over ontstaan: dat mislukken vinden ze daar professionalisering.

Het Nederlandse publiek denkt vaak dat het komt doordat de Vlaamse makers meer durf hebben. Iets wat bijvoorbeeld beaamd werd door Michaël Roskam in een interview met deze krant: „We nemen meer vrijheid, kiezen voor authenticiteit en hoeven niet zo nodig films te maken die ze in Amerika beter kunnen maken.”

Lokale verhalen

Sterker nog. Soms gaat het andersom. Voor Rundskop was Loft (2008) de grote Vlaamse publiekshit, en die werd zowel in Nederland als in Amerika herverfilmd. Met acteur Matthias Schoenaerts als enige van de originele cast. Want Vlaanderen heeft dan geen Lars von Trier of Michael Haneke die vergelijkbare kleine filmculturen als Denemarken of Oostenrijk een enorme duw in de rug kunnen geven, maar wel een gezicht. Toen Schoenaerts vorig jaar met de Franse film De rouille et d’os van Jacques Audiard tegenover Marion Cotillard in de competitie van Cannes stond straalde dat succes af op de hele Vlaamse film.

Anders dan eerdere ‘nieuwe golven’, van de Franse van Jean-Luc Godard en zijn makkers tot meer recente in Argentinië of Roemenië, mag de nieuwe Vlaamse film dan niet zo makkelijk onder een noemer te vangen zijn, er zijn wel gemene delers. De invloed van toonaangevende cameramensen als Frank van den Eeden die onder meer Nicolas Provosts The Invader draaide, of iemand als editor Nico Leunen, die het lef had om de hele The Broken Circle Breakdown non-lineair te hermonteren. Het feit dat veel films in dialect gesproken zijn, zegt iets over de keuze voor lokale, specifieke verhalen. De gedachte is dat elke zandkorrel het universum bevat en een authentiek verhaal vaak beter universeel begrepen wordt dan eentje waarvan alle scherpe randjes zijn afgepoetst.

    • Dana Linssen