Zakenman Frikha trotseert Tunesische turbulentie

Investeer in de regio waar je vandaan komt, luidt het devies van de Tunesische zakenman Mohammed Frikha. „Het is mogelijk hier iets op te bouwen zonder te heulen met het regime.”

Some 300 residents of Kasserine in western Tunisia, burn tires blocking the roads during a protest on January 2, 2013, against the Islamic government following the 2011 revolution in Tunisia which ousted President Zine El-Abidine Ben Ali and against poverty. AFP PHOTO/ABDERRAZEK KHLIFI AFP

Naar de beurs of niet naar de beurs? Begin februari 2011 breekt de directie van Telnet zich het hoofd over deze voor het technologiebedrijf existentiële vraag. Het Tunesische Telnet, met vier vestigingen in Tunesië en één in Parijs, wil kantoren openen in Duitsland en de Verenigde Staten en heeft vers kapitaal nodig.

Het besluit tot een beursgang is al een half jaar eerder genomen. Maar op 14 januari is het regime van president Zine El Abidine Ben Ali onverwacht ten val gekomen. Een golf van opstanden in de Arabische wereld is het gevolg. Investeerders trekken zich massaal terug. In een paar weken tijd is de economie vrijwel tot stilstand gekomen. Wat te doen?

Aan het hoofd van de ovalen tafel in de boardroom gaat oprichter en bestuursvoorzitter Mohammed Frikha de twaalf directieleden af. „Niet doen, te riskant”, klinkt het unaniem. Frikha leunt achterover en haalt diep adem. „Bedankt voor het advies”, zegt hij ten slotte, „maar ik doe het toch.” Dat jaar is Telnet het enige Tunesische bedrijf dat een beursgang waagt.

In zijn kantoor, op de kop van zakenwijk Les Berges du Lac, even ten noorden van Tunis, blikt Frikha bijna twee jaar later op zijn beslissing terug. „In theorie hadden we de beursgang kunnen uitstellen. Maar een half jaar in de technologiesector is al heel lang. Daarbij kwam: ik wilde onverschrokkenheid uitstralen, een voorbeeld stellen voor mijn collega’s. Zo van: wie zijn land vooruit wil helpen, investeert nú. Dat de beursgang doorging was strategisch belangrijk, maar het was óók een daad van patriottisme.”

Telnet levert software voor onder andere de auto-industrie, de telecomsector en de luchtvaart. Er werken zo’n 600 mensen, veelal ingenieurs. Onder de cliënten zijn Dassault en Safran, giganten uit de luchtvaart industrie.

Frikha zelf is alweer een bedrijf verder. Afgelopen zomer richtte hij Syphax op, een private vliegtuigmaatschappij. Momenteel vliegt Syphax vooral op bestemmingen in Frankrijk, Italië en Libië. Als het aan Frikha ligt komt daar binnenkort verandering in. Hij is net terug uit het Franse Toulouse, waar hij bij Airbus nieuwe toestellen bestelde. Over vijf jaar jaar hoopt Syphax met veertien toestellen te vliegen, ook op Brussel en Amsterdam.

Het idee voor een vliegmaatschappij kreeg Frikha op de luchthaven van zijn geboorteplaats Sfax. Het vliegveld bleek nauwelijks te worden gebruikt. „Jammer eigenlijk”, hield een vriend, oud-directeur van Tunis-Air, hem voor. „Het zou de regionale economie ten goede komen, wanneer er intensiever luchtverkeer zou plaatsvinden.”

Frikha werkte details uit en in het najaar van 2011 verleende de minister van Transport Syphax een licentie. Sinds afgelopen april vliegen de eerste twee toestellen – Horia (vrijheid) en Karama (waardigheid), vernoemd naar de twee slogans van de Tunesische revolutie. Die vlotte aanpak past bij Frikha’s visie op ondernemen.

Net als met de beursgang van Telnet, wil Frikha met de oprichting van Syphax in postrevolutionair Tunesië het goede voorbeeld geven. Frikha: „Investeer in de regio waar je vandaan komt, houd ik bevriende ondernemers voor. Daarmee help je Tunesië op dit moment meer dan wanneer je je op de hoofdstad richt.”

De Tunesische revolutie begon in Sidi Bouzid, waar een jonge groenteverkoper zich op 17 december 2010 in brand stak uit frustratie over zijn ellendige leefomstandigheden. De opstand breidde zich uit en bereikte na twee weken de hoofdstad. Dat was geen toeval. Onder president Bourguiba (1957-1987) en vervolgens onder Ben Ali werd het Tunesische achterland systematisch verwaarloosd.

De huidige coalitieregering, bestaande uit twee linkse middenpartijen en het islamitische Ennahda, heeft het diepgewortelde wantrouwen jegens de hoofdstad in de regio niet kunnen wegnemen. Twee jaar na het begin van de revolutie is de desillusie groot. Zoals bleek toen president Moncef Marzouki onlangs in Sidi Bouzid werd uitgefloten tijdens een herdenkingsplechtigheid. Parlementsvoorzitter Mustafa Ben Jafaar moest wegduiken voor een stenenregen.

Vooralsnog zijn de gehoopte verbeteringen uitgebleven. Er is vrijheid van meningsuiting, zeker, maar daar koop je geen brood voor. De werkloosheid in Tunesië bedraagt momenteel 17 procent (tegen 14 procent in 2010), de inflatie stijgt, net als prijzen voor levensmiddelen. Nieuwe investeringen blijven achter.

De gevolgen zijn ernaar. De hoofdstad en de kustplaatsen zijn betrekkelijk rustig. Maar vanuit het achterland wordt vrijwel dagelijks bericht over stakingen, opstootjes en wegblokkades, met desastreuze gevolgen voor de bedrijvigheid die er wél is, zoals de fosfaatindustrie.

In Siliana, zo’n 120 kilometer ten zuidwesten van de hoofdstad, liep een betoging tegen de regering begin december uit op dagenlange rellen. Hier en daar werd gesproken over een ‘tweede revolutie’. In totaal vielen er meer dan 300 gewonden.

De rellen resulteerden in een impasse tussen de islamitische regeringspartij Ennahda en de UGTT, de machtige linksgeoriënteerde vakbond die de betoging in Siliana had georganiseerd. Die escaleerde tijdens een tegenbetoging van Ennahda-aanhangers voor het hoofdkwartier van de UGTT in Tunis. Ordediensten van de vakbond sloegen erop, hetgeen voor de tegenpartij het signaal was tot bestorming van het gebouw – met tientallen gewonde vakbondsmannen tot gevolg.

„Het is een turbulente periode”, erkent Frikha. Maar een serieuze bedreiging voor de politieke of maatschappelijke orde ziet hij niet in het hoog opgelopen conflict tussen de islamisten en de vakbond. „Iedereen positioneert zich voor de verkiezingen die voor 2013 zijn aangekondigd. Daarbij, Tunesiërs zijn een redelijk volk, ze zoeken steeds het compromis. Dat zie je bij alle politieke crises die we afgelopen twee jaar hebben doorstaan.”

Frikha excuseert zich. Het kabinet van Hamadi Jebali aan de telefoon, de Tunesische premier. Of er kans is dat de twee elkaar nog even kunnen ontmoeten op de bijeenkomst van het World Economic Forum in de badplaats Gammarth? Tunesische politici afficheren zich in deze moeilijke economische tijden graag met een succesvolle zakenman van eigen bodem. Frikha laat zich de aandacht welgevallen.

Onder de dictatuur van Ben Ali was dat anders. „Ik bleef zo ver mogelijk op afstand van het regime”, zegt Frikha een paar dagen later, vanachter het stuur van zijn Mercedes 320 cdi. Uit angst naast zijn schoenen te gaan lopen, heeft hij tot dusver steeds geweigerd een chauffeur te nemen. „Ik vraag me af hoe lang dat nog vol te houden is”, zegt hij. Hij is onderweg naar een diner van de Vereniging van Arabische Ondernemers, opnieuw in Gammarth. „Nu op de achterbank een paar telefoontjes afhandelen zou me toch wel heel goed uitkomen.”

Frikha doorliep de prestigieuze ingenieursschool École Polytechnique in Parijs. „Ik had zo een glanzende carrière in Frankrijk kunnen beginnen als ik had gewild, maar ik wilde per se naar Tunesië terug. Ik miste mijn land en mijn familie. Natuurlijk wist ik van de dictatuur en de grootschalige corruptie. Maar ik wilde laten zien dat het mogelijk was iets op te bouwen zonder met het regime te heulen.”

In 1989 zette hij voor de Franse technologiegigant Alcatel een vestiging in Tunesië op. Vijf jaar later volgde Telnet – de eerste technologie start-up op Tunesische bodem. Het bedrijf groeide als kool. Dat het uit de grijpgrage handen van Ben Ali’s beruchte schoonfamilie bleef, verklaart Frikha uit de aard van het bedrijf. „Met technologie hadden de Trabelsi’s niet zoveel op. Het ging ze boven de pet”.

Vanaf het begin is Frikha overtuigd geweest van het welslagen van de democratische transitie in Tunesië. Economische stagnatie noch politieke turbulentie kunnen zijn optimisme temperen. „We hebben een functionerende overheid, een goede infrastructuur, een hoog opgeleide jeugd en een homogene, consensus zoekende bevolking.”

In november vorig jaar sloten Tunesië van de Europese Unie een politiek akkoord omtrent de status van Tunesie als ‘geprivilegieerde partner’ van de EU. Eind 2013 zou dat een feit moeten zijn. Mohammed Frikha: „Zo’n gebaar maakt de Europese Unie alleen als ze vertrouwen heeft in de toekomst het land.”

De in binnen- en buitenland geuite vrees voor een ‘islamistische winter’ deelt Frikha, althans wat Tunesië betreft, niet. „De meeste kopstukken van Ennahda heb ik inmiddels ontmoet. Ze zijn gematigd”, zegt hij. „En daarbij: de Tunesische civil society is ontwikkeld en alert. Die zou aantasting van het seculiere karakter van de samenleving nimmer toestaan.”

Onder de bevolking lijkt de huidige regering niets goed te kunnen doen. Frikha betreurt dat. „Je kunt niet alles van ze verwachten. Gezien de omstandigheden doen ze het niet slecht. In plaats van tegenwerken, zouden we met ze moeten samenwerken.”

    • Marijn Kruk