Wie tien is, is almachtig in zijn eigen hoofd

Jan Simoen (screenshot YouTube)

Afgelopen vrijdag overleed de Vlaamse kinderboekenschrijver Jan Simoen. Thomas de Veen herdenkt hem.

‘Uitgeprocedeerd’ voelde de Vlaamse jeugdboekenschrijver Jan Simoen zich, die vrijdagnacht op 59-jarige leeftijd overleed aan kanker. Toen zijn arts hem half december uitbehandeld verklaarde, voelde Simoen zich ‘als een asielzoeker die erg gehecht is geraakt aan het land waar hij zich de laatste jaren zo thuis voelde, maar binnen een paar maanden op een vliegtuig wordt gezet’.
De vergelijking past bij de schrijver die Simoen was: de levens van zijn personages waren vervlochten met maatschappelijke problemen.

Met mij gaat alles goed, waarmee hij in 1997 doorbrak, gaat over twee stiefbroers van wie de één aids heeft terwijl de ander verzeild raakt in de Joegoslavische burgeroorlog.


Ik ben Alice
(2010) is het waargebeurde verhaal van een meisje met eetproblemen. Slecht (2007), bekroond met de Gouden Zoen, gaat over een jongen die in een politiecel zit omdat hij een ex-vriendin heeft aangevallen. Belachelijk, vindt hij zelf: hij is geen lieverdje, maar ook geen slecht mens. Zijn relaas is zo nadrukkelijk verongelijkt dat het ook een portret is van een puber. Door jongeren in zijn boeken secuur te portretteren en zich te onthouden van een oordeel, zette Simoen zijn engagement effectief om in verhalen waarover jongeren konden nadenken.

De nacht van 2 april (2012)was voor het eerst in Simoens oeuvre sterk autobiografisch. „Een gelukkige jeugd is niet bepaald een goudmijn voor een schrijver, heb ik mogen merken”, zei Simoen kort geleden in De Standaard. Zijn hoofdpersonen waren ook voor het eerst niet ouder dan tien. „Wie tien is, is almachtig. In zijn hoofd tenminste.” Daarna, leek de suggestie, begint de ellende.