Voor publieke zaak werken en met vier ton naar huis gaan

Al jaren wil Den Haag grip op salarissen in de publieke sector. De Balkenendenorm (in 2011 193.000 euro) werd ijkpunt, nu is er een wet. Toch wordt te veel betaald. ‘Marktwerking’ of ‘oude afspraken’, is vaak het excuus.

Soms telt de verklaring niet meer dan één woord. „Marktwerking”, staat er bijvoorbeeld bij het salaris van vier presentatoren van de NOS. Zij verdienden in 2011 meer dan 193.000 euro, het bedrag van waaraf de salarissen wettelijk openbaar gemaakt moeten worden.

Bij anderen staat als uitleg alleen vermeld: „Op basis van oude afspraken.”

En weer bij anderen is de verklaring alinea’s lang. Bij de Eindhovense woningcorporatie Trudo bijvoorbeeld, waar voor het salaris van de directeur-bestuurder Thom Aussems „werd gekeken naar het aantal verhuureenheden, de dynamiek van de vastgoedportefeuille en de positie in het krachtenveld”.

Hoeveel zou iemand in de (semi-)publieke sector mogen, of moeten, verdienen? Al jaren probeert politiek Den Haag grip te krijgen op de salarissen in de top van de publieke sector.

Vanaf 2006 werd wettelijk vastgelegd dat alle (semi-)publieke organisaties de salarissen die boven het ministerssalaris uitstegen, openbaar moesten maken. IJkpunt voor al die overheidssalarissen werd het loon van de minister-president, toen 171.000 euro per jaar. Volgens die Balkenendenorm, naar de toenmalige premier, moet hij de best betaalde persoon zijn in de publieke sector.

Zo’n publieke bekendmaking van die salarissen zou vanzelf wel leiden tot loonmatiging, was de gedachte. Dat bleek niet het geval. Op de eerste lijst met topsalarissen stonden 1.524 functies, waarvan eenderde meer verdiende dan de premier dankzij gouden handdrukken. Op de meest recente lijst, die van 2011 die minister Plasterk vanmorgen publiceerde, zijn het er veel meer: in totaal 2.651, waarvan ‘slechts’ 198 de norm overschreden doordat zij een ontslagvergoeding ontvingen.

Dus ging ook de Tweede Kamer door met wetgeving, dit keer om de salarissen werkelijk in te perken. Vanaf 1 januari van dit jaar bestaan er wettelijke eisen aan de salarissen van bestuurders. Volgens die Wet normering topinkomens mogen zij dit jaar hooguit 130 procent van een ministerssalaris verdienen. De grens ligt sinds dit jaar bij 228.599 euro, dat is inclusief onkostenvergoedingen en pensioenbijdragen en dus iets hoger dan een ministerssalaris. Een minister verdient, alle vergoedingen niet meegeteld, 144.000 euro per jaar.

Dat nieuwe maximumsalaris geldt voor alle bestuurders in het onderwijs, bij corporaties en de publieke omroep, maar niet voor de medewerkers. Een presentator van de NOS, VARA of BNN hoeft daar dus niet onder te vallen. Bovendien bestaat voor bestaande gevallen een overgangsregeling: zij mogen hun huidige salaris nog maximaal vier jaar houden, en daarna gaan ze binnen drie jaar stapsgewijs omlaag. De nieuwe wet betekent voor ongeveer zevenhonderd topambtenaren en bestuurders een salarisverlaging, schatte minister van Binnenlandse Zaken Ronald Plasterk (PvdA) eind vorig jaar.

Deze inkrimping is nog niet genoeg naar de zin van het huidige kabinet. In het regeerakkoord staat dat het maximuminkomen nog verder naar beneden gaat: van 130 procent van het ministerssalaris naar 100 procent. En dan wil Plasterk dat die wet niet alleen voor de bestuurders geldt, maar ook voor de rest van de medewerkers. Hij schat dat dat dan om ongeveer vierduizend mensen zou gaan – al staan er op de lijst van 2011 dus 2.651.

Vanaf 2016 heeft het kabinet-Rutte ook een bescheiden bezuiniging voor de inperking van de salarissen ingeboekt: 10 miljoen per jaar. Maar om die bezuiniging gaat het niet. Het is de cultuurverandering: „Het is gewoon niet de bedoeling dat mensen die voor de publieke zaak werken, met vier ton naar huis gaan”, zei Plasterk al eerder. Bovendien, zei hij, is de Balkenendenorm „nog riant”.

    • Annemarie Kas