Meer inkomens in publieke sector boven balkenendenorm

In 2011 verdienden 2.651 mensen meer dan 193.000 euro, vergeleken met 2165 topverdieners in 2010. Foto Hollandse Hoogte / Sijmen Hendriks

Het aantal topinkomens in de (semi) publieke sector is in 2011 ten opzichte van 2010 gestegen. In 2011 verdienden 2.651 mensen meer dan 193.000 euro, vergeleken met 2165 topverdieners in 2010. Het gemiddelde salaris lag op 218.783 euro, lager dan het gemiddelde van 234.191 euro in 2010.

Dat blijkt uit de rapportage van minister Plasterk (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aan de Tweede Kamer. De personen die meer dan 193.000 verdienden werken bij 493 verschillende organisaties.

Sinds 1 januari mogen bestuurders niet meer verdienen dan balkenendenorm

De afgelopen jaren gold voor alle functionarissen in de (semi)publieke sector, zoals woningcorporaties, onderwijsinstellingen en ziekenhuizen, de Wet Openbaarmaking uit Publieke middelen gefinancierde Topinkomens (WOPT). Een hoger salaris dan 193.000 euro was niet verboden, maar moest wel openbaar gemaakt worden.

Sinds 1 januari geldt er een nieuwe wet, de Wet Normering Topinkomens (WNT). Die wet verbiedt het bestuurders in de (semi)publieke sector meer te verdienen dan de balkenendenorm: 130 procent van een ministerssalaris, exclusief onkosten en pensioen. Die grens ligt dit jaar op 228.599 euro. Niet-bestuurders mogen wel meer dan de balkenendenorm verdienen, maar hebben de plicht tot openbaarmaking.

Volgens die nieuwe wet mogen zittend bestuurders hun huidige salaris vier jaar houden, als overgang. Maar vanmorgen riep minister Plasterk hen op om alvast salaris in te leveren.

“Juridisch kan ik niet harder ingrijpen. Maar ik kan wel zeggen: jullie weten nu dat de Eerste en Tweede kamer dit het maximum vinden. Het zou chic zijn daar op vooruit te lopen.”

Inkomens naar 100 procent van ministerssalaris

In het regeerakkoord is afgesproken dat de topinkomens nog verder omlaag worden gebracht. Een nieuwe wet moet regelen dat zowel bestuurders als niet-bestuurders in de (semi)pubieke sector naar 100 procent van het ministerssalaris gaan.