Meditatieve beelden van Mori

Mariko Mori: ‘Tom Na H-iu Il’ (2006)

Mariko Mori: Rebirth. T/m 17 febr. Londen. Inl: www.royalacademy.org.uk

James Turrell kan het, Olafur Eliasson ook als die een goede dag heeft en nu blijkt Mariko Mori het ook te beheersen: kunst maken waar je van gaat fluisteren.

Op haar expositie hangt een sfeer die zo verstild is, zeg maar gerust gewijd, dat je als toeschouwer meteen bang wordt dat je aanwezigheid iets onherstelbaar kan vernietigen. Dat begint al in de eerste (verduisterde) zaal. Daar staat, op een lichte helling, een vijf meter hoog matglazen beeld van onbestemde vorm – noem het een uitgezakte ellips, een lompe uitvergroting van Brancusi’s Bird in Space, een variant op een Stonehenge-steen. Daarin doemt steeds een mistig licht op dat ook weer verdwijnt, steeds op verschillende plaatsen waardoor het beeld lijkt te praten als een zachte afgod.

Toch, ondanks die onmiskenbare kracht, blijft Tom Na H-iu Il (2006) opvallend kwetsbaar – als toeschouwer wil je jezelf het liefst zo klein mogelijk maken, om niets van dit fragiele tafereel te verstoren. Je wordt je pijnlijk bewust van je eigen geluid. Je eigen volume.

Dat is natuurlijk ook de bedoeling. Net als Turrell raakt Mori, die in de jaren negentig bekend werd met dromerige, Japanse sciencefiction-achtige videofilms, aan een intrigerend fenomeen: ze weet licht en vorm zo te manipuleren dat die bijna vloeiend in elkaar overlopen – en je besef van ruimte wankelt. Alsof je wordt opgetild, gaat zweven. Dat doet ze aan de ene kant, zoals in voornoemd beeld, door te laten zien hoe belangrijk licht is bij de beleving van de ruimte.

Dat is ook mooi te zien in de installatie Transcircle 1.1 (2004), die bestaat uit negen totem-grafsteenachtige vormen, opgesteld in een cirkel van kalksteen. Traag en onvoorspelbaar veranderen ze van binnen uit van kleur waardoor de cirkel niet alleen voortdurend anders is, maar er ook een sterke meditatieve kracht van uitgaat – het licht is zo zacht en rustig en betekenisloos, dat er een gevoel van rust en meditatie van uitgaat.

Dat gevoel van bijna-religie komt ook terug in de vorm van Mori’s beelden. Mori zoekt naar vormen die niet geometrisch zijn, maar die refereren aan menselijke, culturele ‘oerbeelden’. Ze speelt met afgeplatte cirkels, net niet perfecte ellipsen en lijkt zo te betogen dat de ware menselijkheid hem juist zit op de plekken waar net van de geometrische perfectie wordt afgeweken. Dat maakt haar werk ook mooi raadselachtig. Waarom zijn de vormen die Mori gebruikt zo goed? Wat betekent het dat ze ‘werken’?

Haar antwoord heeft precies die meditatieve, religieuze rust die er van al haar werk uitgaat. Om het simpel te zeggen: Mori maakt afgodsbeelden die je losweken van tijd en plaats en het zoeken naar betekenis. Daarmee is het wel de vraag waar Mori’s werk eigenlijk over gaat: is het simpelweg een vorm van escapisme, of levert Mori een vorm van religieuze verdieping die de beeldende kunst ontstijgt?

Zelf lijkt ze zich daar nauwelijks druk om te maken: haar werk is de laatste jaren alleen maar soberder geworden, maar ook ambitieuzer, wat mooi duidelijk wordt uit een project dat ze op dit moment realiseert voor de kust van het Japanse eiland Okinawa. Daar plaatst ze op een rots in de zee een grote pilaar van plexiglas, met daartegenover, in het water een grote, net niet perfect ronde, ‘maansteen’, die van kleur verandert naarmate het licht van de maan verandert. Is dit natuur? Kunst? Religie? Mori geeft, als een waar orakel, geen antwoord, maar daar staat tegenover dat de vragen die ze stelt wel zo goed zijn dat je je graag door haar laat meevoeren.