Internationaal Strafhof wordt gepolitiseerd door nieuw delict

Agressie als misdrijf zet de deur open voor politiek misbruik van internationaal strafrecht, aldus Geert-Jan Knoops.

Zal de premier van een land als Israël, als dit een pre-emptive strike op Iran uitvoert om Iraanse nucleaire installaties uit te schakelen zonder dat het de steun krijgt van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, in de toekomst kunnen belanden in het beklaagdenbankje van het Internationaal Strafhof?

Ja, luidt het antwoord van de voorstanders van het Internationaal Strafhof. Het Strafhof krijgt de bevoegdheid om in de nabije toekomst – als een bepaald minimumaantal landen dit amendement heeft goedgekeurd – politiek leiders van landen die verantwoordelijk zijn voor ‘agressie’ jegens andere landen, strafrechtelijk te vervolgen. Dit kan ook landen treffen die het Strafhof niet erkennen.

De internationaal-rechtspolitieke gevolgen van het introduceren van dit nieuwe misdrijf van ‘agressie’ zijn niet te onderschatten.

Het eerste probleem is: hoe ‘agressie’ te definiëren? Wat voor land A dat militair optreedt een handeling uit zelfbehoud (zelfverdediging) is, is voor het aangevallen land B een daad van ‘agressie’. Op dit punt zal dezelfde discussie kunnen worden gevoerd als over terrorisme: wat voor land A een daad van terreur is, is voor land B een handeling die past binnen een vrijheidsstrijd.

Beziet men de definitie die het strafhof zal hanteren, dan lijkt dit de deur open te zetten voor rechtspolitiek misbruik. Dit misdrijf van agressie zal omvatten: „het plannen, voorbereiden, initiëren of uitvoeren van een daad van agressie, door een persoon die in de positie is om effectief controle uit te oefenen over een staat of om politieke of militaire acties van een staat te leiden, welke door zijn aard, ernst en omvang een manifeste schending van het VN-Handvest vormt”. De kern vormt dus een „manifeste schending van het Handvest”. Dit wordt in eerste instantie ter beoordeling overgelaten aan de VN-Veiligheidsraad. De aanklager moet in beginsel een besluit van de Veiligheidsraad hierover afwachten voordat hij een onderzoek hiernaar mag openen. Als de Veiligheidsraad niet binnen zes maanden in staat is te beslissen, mag de aanklager – met toestemming van drie rechters van het strafhof – alsnog zo’n onderzoek instellen.

Het tweede probleem is de vraag wat er wordt verstaan onder een „manifeste schending van het VN-Handvest”. De ontwerpers van dit ‘nieuwe’ misdrijf noemen onder meer: een blokkade van de havens of kusten van een staat door de strijdkrachten van een andere staat; een aanval door de strijdkrachten van een staat op de land, zee- of luchtmacht, of marine- en luchtvloten van een andere staat; en het gebruik van gewapend geweld door een staat binnen het territorium van een andere staat, met instemming van deze andere staat, maar in strijd met de voorwaarden van de overeenkomst.

Valt het uit de lucht proberen te schieten van een Amerikaanse drone door twee Iraanse gevechtsvliegtuigen ten oosten van Koeweit, zoals onlangs gebeurde, te beschouwen als een daad van agressie jegens de Verenigde Staten?

Deze constructie zet de deur open voor oneigenlijk gebruik van het internationaal strafrecht. In deze constructie zet een politiek orgaan, de VN-Veiligheidsraad, in feite het licht op groen voor een vervolging van het handelen van een land voor een ‘misdrijf’ dat op zichzelf ook al een politieke lading heeft – een dubbele politieke factor dus, die doorslaggevend kan zijn voor een vervolging voor ‘agressie’.

Politieke, economische, religieuze en ethische belangen binnen de Veiligheidsraad – en niet juridische afwegingen – zullen dus voortaan het lot bepalen van een militaire operatie die een bepaald land uitvoert, bijvoorbeeld uit hoofde van geanticipeerde zelfverdediging.

Op deze wijze wordt er geen zinvolle, maar eerder een destructieve bijdrage gegeven aan het systeem van het internationaal strafrecht. Sterker: het zal landen als Rusland, China en de VS alleen maar sterken in hun overtuiging om het Strafhof vooral niet te erkennen. Toch zou het deze landen er niet van weerhouden om in de Veiligheidsraad juist wel een land als Israël te kunnen ‘aanklagen’ voor ‘agressie’ (wegens schending van het VN-Handvest) en dus de weg te openen voor een vervolging voor het Internationaal Strafhof. Hiermee is (weer) een bouwsteen aangeleverd die de betrouwbaarheid van het systeem van het internationaal strafrecht aantast.

Investeren in wereldvrede via het internationaal strafrecht dient niet te geschieden met politiek bepaalde ‘delicten’ als agressie. Steek die tijd, die energie en dat geld liever in andere vormen van conflictbeslechting.

G.G.J. Knoops is advocaat en strafrechtdeskundige.