Den Haag moet de gemeente loslaten

Mooie woorden over decentralisatie gaan in de praktijk juist samen met minder macht voor de gemeenten, stelt Thijs Kleinpaste.

De kwestie rondom de in december aangespoelde bultrug bij Texel legde een pijnlijke spagaat in de Nederlandse politiek bloot. Zowel de PVV als de Partij voor de Dieren eiste dat de minister verantwoording zou afleggen – vreemd. Heeft Texel geen burgemeester? Geen gemeenteraad die de burgemeester controleert? Is dit het begin van een nieuwe traditie, waarbij straks ook elk gewond-en-vervolgens-afgeschoten hert op de Veluwe een eigen Kamervraag verdient?

Alle partijen zijn op hun eigen manier schuldig aan dit soort micropolitiek. VVD-Kamerlid Litjens stelde recent vragen over de verhuizing van een dassenfamilie in de gemeente Cuijk, CDA’er Holtackers wilde in het najaar van 2011 weten waarom een boothotel bij Woudrinchem waarover gemeente en ministerie overlegden nog niet was afgemeerd. Geert Wilders stelde vragen over de gemeente Amsterdam die het gewaagd had de Europese vlag te hijsen boven het stadhuis, en in januari 2012 wilde de Partij voor de Dieren van de minister weten of hij zou ingrijpen omdat in Breskens een labrador buiten lag aangelijnd. Ten slotte is er PvdA’er Ahmed Marcouch, die altijd opduikt als ergens straatterroristen zijn gesignaleerd of een lokale winkelier is beroofd.

Den Haag maakt zichzelf jaar in jaar uit machtelozer – door verlies van taken aan hogere en lagere bestuursorganen, door privatisering, door het ontmantelen van de verzorgingsstaat – maar wil er niet aan wennen. De Tweede Kamer verliest haar grip op de wereld, maar klampt zich er ook uit alle macht aan vast. De machteloosheid wordt geïllustreerd door de obsessie met klein leed.

Maar het parlement handelt tegenstrijdig. Enerzijds heeft men het merkwaardige idee dat de Kamer overal iets van moet vinden, alles moet regelen. Anderzijds is men al jaren bezig bevoegdheden te verplaatsen: naar de Europese fora, naar de provincies, naar de gemeenten. Wat privatiseren was voor de jaren negentig, is decentraliseren voor nu. De Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) werd ingevoerd, Jeugdzorg gaat van de provincies naar de gemeenten, net als alle andere jeugdgerelateerde zorgtaken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Rutte II wil langdurige en welzijnszorg steeds meer lokaal regelen en gemeenten krijgen weer meer zeggenschap over woningcorporaties. Het Rijk gooit voortdurend taken over de schutting, meestal gemotiveerd door de verlokkingen van een makkelijke bezuiniging.

Het nieuwe kabinet maakt van decentralisatie zelfs een politieke prioriteit, een doelstelling in het regeerakkoord. „Het overbrengen van een groot aantal taken van het Rijk naar gemeenten maakt meer maatwerk mogelijk en vergroot de betrokkenheid van burgers”, beloven PvdA en VVD, en ze voegen toe dat het kabinet „ruime beleidsvrijheid” zal bieden.

Dat laatste valt te bezien. Tot nu toe heeft decentralisatie zelden geleid tot meer zelfstandigheid voor gemeenten, maar enkel tot een ongemakkelijke strijd tussen Rijk en lokale overheden, meestal over geld. Ook Rutte II gaat voort op die weg: het kabinet maakt schatkistbankieren verplicht, haalt 256 miljoen euro uit het gemeentefonds om het zelf direct aan scholen te geven en pakt het budget voor lokale omroepen af van de provincies om het onder te brengen in de begroting van het Rijk. Kers op de taart is de bepaling dat lokale politieke partijen – Weerbaar Waddinxveen, bijvoorbeeld – onder de Wet Financiering Politieke Partijen worden gebracht. De gemeente mag uitvoeren terwijl de Kamer en het kabinet zich vastklampen aan toezicht, regie en controle. Typisch is de vorming van een nationale politie onder het vorige kabinet. Gemeenten moeten doen wat ze gezegd wordt, Den Haag wil met de stok kunnen slaan.

Die situatie is eigenlijk nu al onhoudbaar, en zal met elke decentralisatie verder verslechteren. Regelmatig botsen gemeenten en het Rijk over de vraag wie de eindverantwoordelijke mag zijn. In september schreven de burgemeesters van de vier grootste steden in een groot artikel in de Volkskrant dat de „tekentafel van de toekomst” in de (grote) steden en stadsregio’s staat. Als burgemeesters willen zij meer ruimte om de uitdagingen die op hen afkomen het hoofd te bieden – de gemeente als volwaardige ‘eerste overheid’: „Wij lossen de problemen op en wij bereiken meer met bestaande middelen, maar dan moeten we wel de ruimte krijgen. Juist aan dat laatste schort het vaak. Zodra het kabinet en de Tweede Kamer taken overdragen aan gemeenten, wordt alles meteen dichtgestuct met regels, voorwaarden en protocollen”.

Het Rijk is schizofreen. Als er bezuinigd moet worden krijgen gemeenten nieuwe taken, maar als gemeenten de vrijheid willen om die zelf vorm te geven stuiten ze op een muur. Terwijl de macht vervluchtigt klampt de nationale overheid zich vast aan de laatste middelen die ze heeft: de bevoegdheid om regels te maken, en geld.

Afgelopen zomer deden toenmalig Haags wethouder Sander Dekker en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) het voorstel om gemeenten zelf belastingen te laten heffen. In een interview met het Financieele Dagblad merkte Dekker op dat minder dan 5 procent van de Nederlandse belastingen in lokaal wordt opgehaald – een schijntje, in vergelijking met buurland Duitsland, waar dat aandeel soms kan oplopen tot de helft. Nederland is zelfs het op één na meest gecentraliseerde land van Europa. Alleen Malta is centraler georganiseerd, maar dat heeft geen gemeenten.

Als de gemeente echt ‘de eerste overheid’ moet zijn, dan horen daar ook de bevoegdheid, de verantwoordelijkheid en het vertrouwen bij om zelf beleid te maken, zelf belasting te heffen en zelf te kiezen hoe (bijvoorbeeld) het sociale domein wordt ingericht. Krachtiger gemeenten zijn beter in staat de problemen op te lossen waar het parlement slechts klagerig over spoeddebatteert. Het kleine leed dat de Kamer binnendringt via vragen aan de minister en zo de machteloosheid van de nationale vergaderzaal illustreert, kan lokaal wel worden opgelost– men moet alleen leren loslaten. De tijd is rijp voor de emancipatie van ’s lands kleinste bestuursorganen.

Thijs Kleinpaste studeert Geschiedenis. In februari verschijnt zijn boek Nederland als vervlogen Droom bij Uitgeverij Prometheus / Bert Bakker