Cavia's

Aan cavia’s heb je niet zoveel. Ik had vroeger een cavia, een witte met bruine vlekken. Zijn naam ben ik vergeten, die deed er ook niet toe, hij luisterde toch niet.

Gekregen op mijn verjaardag, terwijl ik om een hond gevraagd had. Ik herinner me weinig van het dier, behalve dan dat hij de hele dag stil in zijn hok zat.

Van andere mensen met cavia’s hoorde ik vergelijkbare verhalen. Met een cavia heb je wel de lasten – iets wat eet en drinkt – maar niet de lusten van een huisdier. Ik heb tenminste nog nooit iemand horen zeggen: goh, wat hebben we leuk met de cavia gespeeld.

Toch gaat het te ver om alle cavia’s over een kam te scheren. In de sprinter tussen Nijmegen en Arnhem wist een cavia uit zijn kooi te ontsnappen. Hoe hij dat voor elkaar had gekregen bleef onduidelijk want het was een kooi met aluminium tralies en het deurtje zat goed dicht. Dat zei tenminste de eigenaresse, een meisje van een jaar of negen.

Het beest vierde de vrijheid door van de ene naar de andere kant van de coupe te roetsen, hetgeen tot veel activiteit leidde. Een man probeerde het beest met een Volkskrant op te jagen, een vrouw zat op haar hurken met een stuk brood en er was er ook een die het beestje met zijn iPhone filmde.

Het meisje van de cavia begon te huilen.

Na station Elst nam een zwetende conductrice de leiding van de operatie op zich. Ze gaf twee reizigers de opdracht om de tussendeuren gesloten te houden en vroeg aan de andere passagiers om voor een keer met de schoenen op de banken te gaan zitten. De man met de Volkskrant werd gesommeerd op te houden met wapperen.

We zagen de conductrice op handen en voeten door het gangpad richting cavia kruipen. Het beestje zag het gevaar en glipte weg voor de graaiende handen. De conductrice moest draaien.

Ter hoogte van station Arnhem-Zuid gaf ze – nog steeds op handen en voeten – via de mobilofoon de opdracht de deuren gesloten te houden. Tegen ons zei ze: „Iedereen blijft zitten!” Een paar minuten later ving ze het dier.

In de coupe werd voor de conductrice geklapt. Ze bracht het beestje terug naar zijn opgeluchte baasje.

De cavia had wit plukhaar en had verder geen naam.

„We noemen hem ‘cavia’”, zei het meisje. De conductrice zei dat ze ‘Julia’ wel een mooie naam vond, zo heette ze namelijk zelf.

Op zo’n moment denk je dat zo’n kind uit dankbaarheid instemmend gaat zitten knikken, maar dat was niet het geval. Ze stopte de cavia terug in de kooi en zei na een korte stilte: „Zo gaan we hem niet noemen, hoor. Ik vind ‘Julia’ een stomme naam.”

Het was dat ze daarna tot station Arnhem Centraal heel lief naar haar cavia ging zitten kijken, anders hadden we haar geslagen.

    • Marcel van Roosmalen