opinie

    • Maarten Schinkel

Brussel, Washington zijn onvergelijkbaar

Het is de aardigste vondst van de wereld van deze week: zo heel erg veel wijkt de besluitvorming rond de begroting en de fiscal cliff in de Verenigde Staten op dit moment niet af van het stroperige Europa. Een hypernerveuze top op het allerlaatste moment, als het écht niet anders meer kan? Check. Besluiten die dan het eerste uur na afloop heel wat lijken, maar bij nader inzien het probleem niet oplossen? Check. Het blikje verderop de weg schoppen? Idem. Daarna naar de thuisbasis terugkeren met stoere woorden voor de achterban die volkomen in tegenspraak zijn met het zojuist gesloten compromis? Yo.

De vergelijking is aardig en aantrekkelijk. Zij heeft alleen één klein probleem: het is totale onzin. Los van alle andere ontelbare verschillen is één aspect de moeite waard om in dit verband onder de loep te nemen: de begroting. Het Amerikaanse systeem van onderlinge verrekening tussen staten is vaak aangehaald als een voorbeeld voor Europa. De Amerikaanse deelstaten dragen, simpel gezegd, een deel van hun belastinginkomsten af aan Washington, en krijgen daar dan een vast bedrag voor terug. Gaat het een deelstaat slecht, dan draagt deze minder af, maar krijgt hetzelfde. Gaat het juist goed, dan gaat er meer geld naar Washington, maar blijft het bedrag dat terug komt hetzelfde. Zo ontstaat vanzelf een systeem van dempende ‘automatische stabilisatoren’.

In Europa gaat dat heel anders. De Amerikaanse federale begroting, dus al het geld dat in het politieke centrum wordt verdeeld, bedraagt typisch 20 procent van het bbp. Het is nu, door de crisis, zo’n 25 procent. De begroting van de deelstaten zelf bedraagt daar nog niet eens de helft van. Samen met uitgaven van verschillende agentschappen en dergelijke telt dat op tot 40 procent van het bbp in 2012.

In de Europese Unie zit dat totaal anders. De lidstaten van de eurozone geven gemiddeld 49,4 procent van hun bbp uit. Daarvan is welgeteld 1 procent en een beetje voor het ‘federale’ budget van de EU. En dynamisch is dat budget niet. Het ligt vast in landbouwsubsidies, structuurfondsen en dergelijke.

Het verschil kan niet groter zijn. En de kans dat het kleiner wordt is gering. In de hardnekkige voorstellen van de Europese Commissie om het budget van de EU te verhogen is met recht een zucht te lezen naar meer federalisme. Uit het vrijwel unanieme verzet van de lidstaten blijkt de afkeer van een groter en belangrijker centrum. Er is ook geen samenhang van betekenis tussen netto-betalers, ontvangers en de mening van hun bevolking over de wenselijkheid van meer of minder Europa.

In Amerika is dat anders. Opmerkelijk anders zelfs. De site businessinsider.com zette onlangs alle Amerikaanse deelstaten op een rijtje. Wat blijkt: op New Mexico, Virginia, Ohio en Texas na, stemmen alle staten die netto-betalen aan Washington Democratisch en stemmen alle netto-ontvangers juist Republikeins. Amerikanen die, grof gezegd, een grotere overheid willen behoren tot de bijdragers. Zij die daarentegen netto profiteren stemmen juist voor een afslanking van de staat. Dat is gek, maar wel soort van consequent. Wie doordenkt ziet dat de continuïteit van het systeem er door wordt gegarandeerd. En dat kan Europa, zelfs met zijn mini-stelsel nog steeds niet zeggen.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.

    • Maarten Schinkel