Column

Toegankelijkheid is geen kunst

‘U bent een bedachtzaam mens”, zei de man die me zojuist belde. „Dus we doen het zo: ik stel u vandaag een vraag, dan hangen we op, en ik bel u morgen opnieuw voor het antwoord.” Wat een service! Deze aanpak toont niet alleen respect voor mijn eigen sukkeligheid, maar ook voor het eeuwige getalm van de filosofie. Geen oproep om newsier te worden, snellejongensachtiger, quicksteppiger, efficiënter, prontamente, molto allegro, meer 2,9979245 x 108 m/s. Nee, gewoon ouderwets vierentwintig uur respijt.

In de adempauze die me is geboden, durf ik wel terug te keren naar een gesprek van eindeloos lang geleden, drie weken maar liefst, dat over het denken ging. In deze krant schreef de jonge filosoof Pepijn Vloemans, werkzaam bij het wetenschappelijk bureau van GroenLinks, teleurgesteld te zijn over de studie filosofie. Die had hem geen antwoord gegeven op de dringende vraag „wat ik in godsnaam met mijn leven moest doen”.

Vloemans verlangde praktische aanbevelingen, „filosofie van de straat die zich ver houdt van voetnoten”. Socratische levenslessen zoals je die vindt in het populaire denken van de wijsgerige tijdschriften en de wijsgerige nachten, de Tedx-filmpjes en het Filosofisch Kwintet. Maar de studie bood tot zijn spijt bovenal „cerebrale kennis”. Het onderzoeksideaal bleek aan de universiteiten jammer genoeg nog overeind, waardoor filosofen afkomen met „geannoteerd gefröbel in plaats van toegankelijke krantenstukken of diepgaande gesprekken met studenten”.

Nu had ik in de stoffige laden van mijn hoofd nog een veel ouder stuk liggen, van de politiek filosoof Vincent Guicherit, die precies het tegenovergestelde beweerde. Guicherit zag in de snelle filosofie van de straat niets beters dan populisme. Deze gezellige vorm van diep denken in zaaltjes heeft niets te maken met de moeizame en grondige acquisitie van wijsheid en kennis, maar draait om het samenklonteren van mensen rondom een opinie en een paar boeken. „Het is juist die drang om ergens bij te horen, wat de mens maakt tot massamens en roedeldier.”

Hier hadden we het eeuwenoude conflict te pakken tussen filosofen en sofisten. Vloemans denkt dat filosofen behoren tot de traditie van Socrates als ze cerebrale kennis inruilen voor „diepgaande gesprekken met studenten”. Guicherit denkt dat zulke filosofen juist behoren tot de traditie die Plato en Socrates verafschuwen, de traditie van de sofisten. De goochelaars die niet over zelf verworven kennis beschikken, maar de kennis van anderen razend knap imiteren, en daarmee een breed publiek aanspreken dat op zoek is naar wijsheid.

Hoeveel ze verder ook van elkaar verschillen, over één ding bleken Vloemans en Guicherit het eens: geld. Anders dan academici met een baan bereiken populaire publieksfilosofen hun grote successen „zonder belastinggeld”, schreef Vloemans. Ze zijn inderdaad „doelgroep bedienende broodschrijvers”, schreef Guicherit. Waaruit ik enigszins afwezig concludeerde dat er voor een filosoof weinig keuze is: uit de belastingruif eten of broodschrijven. Schmieren of je hand ophouden; veel fatsoenlijker wordt het niet.

Intussen gingen in mijn hoofd met veel gekraak en gepiep oude kasten open; grendels werden weggeschoven en het licht viel op kennis die daar ooit door academici is achtergelaten. Immanuel Kant lag er. En omdat ik toch tijd had, begon ik te lezen. Kants boek Grundlegung zur Metaphysik der Sitten uit 1785. Als je in onze tijd stemmen zou verzamelen, mopperde Kant, om te beslissen wat te verkiezen is, cerebrale kennis of populaire praktische filosofie, dan weet je wel wat de uitslag zou zijn.

Niet dat er iets mis is met praktische leefregels die iedereen begrijpt, schrijft hij, integendeel. Zolang ze maar zijn gebaseerd op gedegen denkwerk. Maar meestal zijn ze dat niet, en dan zijn ze louter geschikt voor het alledaags gezwets; indem es gar keine Kunst ist, gemeinverständlich zu sein, wenn man dabei auf alle gründliche Einsicht Verzicht tut. En dat, dacht ik, terwijl ik Kant dichtsloeg, is een citaat dat ik wel op een koffiemok en een T-shirt zou willen hebben. „Het is bepaald geen kunst voor iedereen begrijpelijk te zijn, als je daarbij afziet van elk grondig inzicht.”

Bij het wetenschappelijk bureau van GroenLinks wil men kennelijk weten wat je in godsnaam met je leven moet doen. Laat men er bedenken dat een antwoord op die vraag kennis behoeft. De bruikbaarste kennis die de filosofie je kan bieden, is kennis over kennis, kennis van de manier waarop je kunt wegen wat argumenten en gedachten van jezelf en anderen waard zijn. Vandaar dat Kant niet alleen de vraag stelt „Wat moet ik doen?”, maar ook „Wat kan ik weten?”.

Zoals in de film The Karate Kid de karateleerling tot zijn afschuw eindeloos schuttingen moet schilderen en auto’s in de was moet zetten – wax on, wax off – zo moet de filosofisch geïnteresseerde eindeloos teksten en noten kraken om de spieren, de techniek en de concentratie te verwerven waarmee hij straks moeiteloos het gevecht wint.

En toegankelijke krantenstukken? Oh pulease, zoals de jeugd zegt. Een beetje student staat daar boven.

Maxim Februari is filosoof en schrijver.