Prijs Allah, er is vooruitgang!

Bamboehuisjes worden van steen, wegen worden breder. Bijna ongemerkt wordt Indonesië welvarender. Correspondent Elske Schouten reist voor haar terugkeer naar Nederland nog één keer door het land.

Bezoeker bij een kunstwerk op een tentoonstelling in een winkelcentrum vorige maand in Jakarta. Foto AP

Het zanderige hobbelpad naar Waliwis is weg. Over het nieuwe asfalt razen brommertjes, een nieuwe moskee is in aanbouw. Ik ben terug in wat ik vier jaar geleden beschreef als „een armoedig dorp” in West-Java. En wat is er veel veranderd.

Ik zoek Jamilah op: een moeder van vijf kinderen die ik toen interviewde over haar tijd als dienstmeid in Saoedi-Arabië. Natuurlijk weet ze nog wie ik ben, hoe vaak komt er nu een Nederlandse journalist langs? We praten dit keer niet bij op de grond, want ze heeft nu plastic stoelen. Haar vloer, de vorige keer maar half gelegd, is af. Haar stenen huis noemde ik in 2008 een „baken van luxe in de rotzooi van Waliwis”. Nu hebben bijna alle bewoners zo’n huis. Nog maar één gezin woont in bamboe. De weg is verhard in 2009, vertelt ze, binnenkort wordt hij alweer verbreed. Arabische inkomsten waren jarenlang de enige kurk waarop Waliwis dreef. Nu lijmen haar dorpsgenoten ook schoenen en maken ze kabels in fabrieken die sinds mijn vorige bezoek zijn geopend.

Ik ga ook weer langs bij dorpshoofd Sarwani. Volgens mij is hij dikker geworden, wat hij ontkent. Hij vertelt hoe bewoners zelf geld voor de nieuwe moskee bij elkaar hebben gelegd. De grootste bijdrage kwam van handelaren, die steeds meer rijst en kippen verkopen. Al vier families hebben een auto. En Waliwis stikt van de haji’s: moslims die genoeg geld hadden voor een bedevaart naar Mekka.

Sarwani zelf heeft het ook beter, al klaagt hij nog even veel. Hij lacht als ik hem eraan herinner dat hij toen maar twee keer per jaar vlees at. „Nu eet ik elke dag kip! Ik begin het al saai te vinden.”

Jamilah en Sarwani waren zich niet zo bewust van alle veranderingen in hun dorp, tot ik er naar vroeg. Vooruitgang verloopt ongemerkt voor wie er middenin zit. Zo moest ook ik de laatste jaren nadrukkelijk stilstaan en achterom kijken om te zien hoe snel het gaat in Indonesië, het land dat ik vijf jaar heb mogen bestuderen en dat mijn thuis is geworden. Een economisch groeikanon en de op twee na grootste democratie ter wereld, die onvermijdelijk zal uitgroeien tot een wereldspeler.

De cijfers zijn spectaculair. Het gemiddelde jaarinkomen van Indonesiërs is sinds 2007 gestegen tot 3.660 dollar (2.800 euro), bijna twee keer zo veel. Ook het aantal gezinnen in de middenklasse is verdubbeld. En die middenklasse heeft steeds meer te besteden.

Ik zie het in mijn eigen buurt, waar groen en rommelige laagbouw in snel tempo plaatsmaakt voor nieuwe torenflats. Een oogkliniek, een viersterrenhotel, appartementen voor ‘executive living’. Alle nieuwe brommers en auto’s die ernaartoe rijden verstoppen de wegen. Ketens van minisupermarkten met airconditioning zijn geëxplodeerd en verkopen Magnums en M&M’s, vijf jaar geleden nog nergens te krijgen. Tieners uit de middenklasse drinken er in hard tl-licht een biertje.

Veelzeggend is de zaal vol nierpatiënten die ik laatst aantrof in een plattelandsziekenhuis, die dankzij een gratis zorgverzekering voor de armsten twee keer per week worden gedialyseerd. Zij zouden tien jaar geleden ten dode zijn opgeschreven. Er valt veel op zorgverzekering Jamkesmas aan te merken. Zo is de helft van de armsten ongedekt vanwege de bureaucratische rompslomp die nodig is om toegang te krijgen. Maar toch: 76 miljoen Indonesiërs die anders waren aangewezen op de goedkopere gebedsgenezer, kunnen er terecht. Waliwis heeft dit jaar een nieuwe kliniek gekregen. 24 uur per dag open, bijna gratis en altijd vol. „Mensen gaan veel vaker naar de dokter”, zegt Jamilah. Naar de dukun ga je alleen nog als je bent behekst.

Al met al trek ik dezelfde conclusie als Jamilah en Sarwani, die verwonderd stilstaan bij alle verbeteringen die ze zelf opsommen. „Alhamdulillah, prijs Allah, er is vooruitgang!”

Dat verbaast me, gezien de manier waarop ik het openbaar bestuur de laatste jaren heb zien stagneren. Rond mijn aankomst heerste nog optimisme over president Susilo Bambang Yudhoyono, aan het roer sinds 2004. Onder zijn bewind eindigde de chaos die Indonesië kenmerkte in de jaren na de val van autocraat Soeharto. De ene na de andere hoogwaardigheidsbekleder belandde wegens corruptie in de cel. Mijn verwachtingen waren hooggespannen toen hij in 2009 met een monsterzege werd herkozen; met zo’n groot mandaat zou hij nu wellicht de broodnodige infrastructuur aanleggen en de bureaucratie hervormen.

En toen gebeurde er niets. Yudhoyono benoemde een incompetente kliek van politieke vrienden in zijn kabinet en liet zich binnen de kortste keren verlammen door politieke manoeuvres van zijn rivalen. Zijn toespraken zijn meestal zo indirect dat alleen mede-Javanen ze kunnen volgen. Of hij zei gewoon niets. Zoals toen de succesvolle commissie tegen corruptie frontaal werd aangevallen door koruptors binnen de politie. Yudhoyono was dagenlang stil. Had hij het soms te druk met liedjes componeren, vroegen Indonesische twitteraars zich af, verwijzend naar de muzikale bijbaan van de president. Toen hij de politie alsnog terugfloot, werd hij genegeerd.

Misschien valt in een megademocratie als Indonesië geen al te grote daadkracht te verwachten. Hier geen tienjarenplannen die een sterke overheid met strakke precisie doorvoert, zoals in het welvarende maar autoritaire Singapore. Neem het stuk ringweg waarover ik ooit pijlsnel naar het vliegveld hoopte te rijden. Na vijf jaar is het nog steeds een stippellijn op de kaart. Elk stukje land moet apart worden gekocht, onteigenen gaat zomaar niet.

Vooruitgang heeft kennelijk geen sterk leiderschap nodig. De economie draait ook zonder Yudhoyono lustig door. Indonesiërs zijn geen Chinezen, die hun spaargeld oppotten voor de volgende generatie. Ze geven het uit. Aan een Toyota Kijang, de derdewereldauto waarin je gemakkelijk twaalf familieleden kunt proppen. Of aan een Blackberry, het statussymbool dat nu ook voor een taxichauffeur binnen bereik ligt. Fabriekswerkers, transporteurs, winkeliers: allemaal profiteren ze mee.

Het maakt Indonesië tot een interessante mix van moderniteit en traditie. Toen ik dit jaar het Suikerfeest vierde in de desa van mijn inwonende hulp in Midden-Java, waande ik me in de feodale tijd. Zijn bejaarde vader had vroeger veel land en dus status, en kreeg tientallen dorpsgenoten op audiëntie. Zij knielden bij hem neer, brachten zijn handen naar hun hoofd, om doodserieus prevelend vergeving te vragen voor alles wat ze dit jaar verkeerd hebben gedaan. Intussen piepten de smartphones met Suikerfeestwensen per sms.

Wie maakt zich in deze explosie van konsumerisme nog druk om zaken als godsdienstvrijheid en mensenrechten? Mijn allereerste reportage in Indonesië maakte ik in 2008 in een moskee van de Ahmadiyah, een islamitische stroming die veel andere moslims beschouwen als ketterij. De An Nur moskee was onder druk van buurtbewoners gesloten. In de jaren daarop zou ik nog vaak over de Ahmadiyah schrijven, want ze raakten steeds verder in het nauw. Net als andere religieuze minderheden. Kerken in Java moeten dicht, shi’ieten op Madura worden aangevallen door de sunnitische meerderheid. Dieptepunt was een lynchpartij van drie Ahmadiyah door radicale moslims, begin 2010. Op YouTube was te zien hoe de menigte met stokken op hun dode lichamen bleef inslaan.

Ik vreesde het ergste voor de An Nur moskee, die midden in een wijk met ‘gewone moslims’ lag. Toen ik het gebedshuis vlak voor het Offerfeest weer opzocht, bestond het nog wel. Tientallen Ahmadiyah stroomden er binnen voor het vrijdaggebed, op het prikbord stond de prijs van koeien en offergeiten. Maar ondanks die alledaagsheid was de nervositeit voelbaar. Activiteiten zijn verplaatst van de begane grond naar de moeilijker toegankelijke eerste verdieping – voor het geval dat. Tijdens het Offerfeest verdeelden de Ahmadiyah voor duizenden euro’s aan geiten en koeien in de buurt, om hun rust af te kopen.

En waarom hangen in de huiskamer van mevrouw Maesaroh geen foto’s meer van Mirza Ghulam Ahmad, voor Ahmadiyah de laatste profeet? Toen ik haar, de enige Ahmadiyah-bewoonster van de wijk in 2008 bezocht, vertelde ze hoe harmonieus ze altijd had samengeleefd met haar buren. Nu haalt ze elke avond een ‘gewone’ koranleraar in huis die twintig kindjes uit haar kampong lesgeeft, zodat buren zien hoe normaal ze is. „Het helpt, maar een klein deel van de mensen heeft een hekel aan ons.”

Democratisering en economische vooruitgang hebben de religieuze minderheden geen goed gedaan. Integendeel. Onder het bewind van Yudhoyono is de godsdienstvrijheid in het grootste moslimland ter wereld verminderd. Juist nu Indonesië democratischer is, blijkt het beschermen van niet-moslims voor bestuurders geen prioriteit. Ook niet voor de president. Ze winnen er geen stemmen mee. Uit angst te worden gebrandmerkt als anti-islam, laten ze fundamentalistische knokploegen ongestoord doorgaan met het molesteren van ‘ongelovigen’. De radicalen die drie Ahmadiyah doodsloegen zijn nauwelijks gestraft.

Ook gewone burgers protesteren niet tegen het ‘relituig’, ook al zijn de meeste Indonesiërs het niet met hen eens. Ze hebben wel meer aan hun hoofd en willen nieuw verworven voorspoed niet in gevaar brengen. Zo bleken de meeste buren van de An Nur niets tegen Ahmadiyah te hebben. Maar televisiebeelden van Ahmadiyah-moskeeën die elders in brand werden gestoken, joegen hun angst aan. Ze wilden niet dat hun eigen huis ook in vlammen opging, dus moesten de Ahmadiyah maar ophoepelen.

Dezelfde houding maakt dat niemand het opneemt voor de Papoea’s, wier aspiraties voor onafhankelijkheid de regering met geweld bestrijdt. Of dat slechts een selecte groep activisten zich nog druk maakt over moordpartijen, verdwijningen en andere misdaden onder Soeharto. Daar stond nooit iemand voor terecht en dat gaat ook niet meer gebeuren.

Voorlopig overheerst in Indonesië optimisme. Zelfs over de politiek, sinds de recente verkiezing van een veelbelovende nieuwe gouverneur in Jakarta, een van de machtigste posities van het land. Ver buiten de hoofdstad praten Indonesiërs met enthousiasme over deze Joko Widodo. Hij werd gekozen vanwege zijn succes als burgemeester van de kleinere stad Solo, niet door stemmen te kopen. In de hoop dat hij de files en overstromingen gaat aanpakken negeerden kiezers het feit dat zijn running mate geen moslim is, maar een Chinese katholiek. Widido wordt al genoemd als kanshebber voor de presidentsverkiezingen van 2014.

Veel zal het niet uitmaken voor de economische trein die voorlopig wel voortdendert. Vlak voor mijn vertrek waren opeens twee overburen verhuisd. Het huis van meneer en mevrouw Haji was dichtgetimmerd, net als de woningen ernaast. Pal tegenover mijn huis komt een nieuw gebouw van 16 verdiepingen, kon een andere buurman me vertellen.

Of hij het niet jammer vond, vroeg ik hem. In zijn jeugd woonde hij in deze buurt tussen de plantages, nu wordt hij in hoog tempo ingebouwd door onpersoonlijke kantoorcomplexen. Maar nee. Met de kantoren kwamen de klanten voor zijn satézaakje, dat elke lunchpauze vol zit. En ook hij is besmet met de goudkoorts die nu heerst in mijn straat: hoeveel hebben ontwikkelaars ervoor over om families uit te kopen? Als het bod maar hoog genoeg is, vertrekt hij ook.

Per 1 januari is Elske Schouten plaatsvervangend chef buitenland. Melle Garschagen volgt haar op als correspondent in Jakarta.

    • Elske Schouten