Interviewers interviewen interviewers

Illustratie Ank Swinkels

Ik heb stellig de indruk dat de media in 2012 meer aandacht aan zichzelf hebben besteed dan ooit tevoren, iets wat ik miste in de vele terugblikken en jaaroverzichten.

Soms kon dat niet anders. Zo moest deze krant wel verantwoording afleggen over de berichtgeving rond Friso, inclusief nasleep. En als een hoofdredacteur (van nrc.next) onvrijwillig opstapt, is dat ook nieuws, hoewel zoiets weleens kleiner is gebracht, net als een verhuizing.

Dat media melding maken van grote veranderingen in de media, vind ik ook logisch, al was het maar omdat zij een controlerende functie hebben. Maar nooit eerder heb ik ze zo uitvoerig en zo vaak over zichzelf zien schrijven en horen spreken. Ik vind het prima als bijvoorbeeld een interviewer een andere interviewer interviewt over hoe het is om iemand te interviewen („Goeie vraag, dat zal ik je precies vertellen”), maar dan graag in een vakblad. Daarbuiten begint het op publiekelijke zelfbevlekking te lijken.

Meest gebruikte vorm bij dit alles: het interview. Was dat in de vaderlandse journalistiek altijd al zo’n hooggewaardeerde vorm? Dat wordt snel duidelijk als je de geschiedenis van dit leenwoord onderzoekt.

In het Engels is interview in 1869 voor het eerst opgetekend in de betekenis ‘vraaggesprek met een journalist’. In de eeuwen daarvoor werd het al gebruikt voor ‘onderhoud; ceremoniële ontmoeting van hooggeplaatste personen’.

In het Nederlands is interview in 1875 voor het eerst aangetroffen, in het Algemeen Handelsblad, de Amsterdamse voorloper van deze krant. Zes jaar eerder, in 1869, noemde het Handelsblad het woord al in een artikel over de Amerikaanse journalistiek. „Ongelooflijk groot is de onbeschaamdheid van verslaggevers der dagbladen, die alle bijzonderheden, welke het publiek belang inboezemen, trachten te vernemen. […] In Amerika durft men de verslaggevers der dagbladen ‘who come to interview you’ gelijk men in de Vereenigde Staten zegt, niet met een kluitje in het riet zenden, of uit het huis laten zetten, want de dagbladen laten de minste ongehoorzaamheid jegens hunne verslaggevers nooit ongestraft.”

Vanaf 1875 duikt interview geregeld in Nederlandse kranten op, aanvankelijk gecursiveerd of tussen aanhalingstekens geplaatst, om het als leenwoord of relatief onbekend woord te markeren. In het begin komt het vaak in een Amerikaanse context voor, maar dat moet je breed opvatten. Zo lezen we in 1875 dat Bismarck een „berichtgever” van de New York Herald een „interview” weigert omdat die krant altijd zo negatief over hem schrijft.

Vrijwel in alle oudste bronnen wordt interview met nauw verholen afkeer gebruikt. Men duidt er een brutale, impertinente vorm van journalistiek mee aan, overgewaaid uit de VS. „Ik zoude nog veel kunnen vertellen van zijn gesprek”, schreef de Amerikaanse correspondent van het Handelsblad in 1881 over een ontmoeting in een trein, „maar het interviewen op zijn Amerikaansch schijnt mij een onverdragelijke onbescheidenheid, en ik vertel slechts zoo veel van de opmerkingen van dezen merkwaardigen man, als ik geloof zonder indiscretie te mogen mededeelen.”

Vanaf het begin van de 20ste eeuw doen puristen pogingen om interview te vervangen door een ‘zuiver’ Nederlands woord. Zo stellen de samenstellers van De kleine zuiveraar in 1907 voor om voortaan uithooring te gebruiken, samen met uithooren en uithoorder. In feite is het woord vraaggesprek, dat in 1897 voor het eerst opduikt, dan al aan een opmars begonnen. Een bescheiden opmars.

Taalhistoricus en journalist Ewoud Sanders schrijft wekelijks op deze plek over taal.

    • Ewoud Sanders