Ik tennis liever in zo'n hittegolf dan in de regen

De 21-jarige Kiki Bertens debuteert volgende week in Melbourne op de Australian Open, het eerste grandslamtoernooi van het jaar.

1In Melbourne is een hittegolf, hoe kun je daarmee omgaan?

„Ik kan wel goed tegen de hitte. De afgelopen weken heb ik toernooien in Sydney en Auckland gespeeld en daar werd het ook tegen de 40 graden. Het belangrijkste is dat je lichaam goed voorbereid is op die warmte. Dus veel meer drinken dan normaal, zout in je drankjes doen om uitdroging te voorkomen en veel met ijshanddoeken werken. Ik speel nog altijd liever in de brandende zon dan met tien graden in de regen met harde wind.”

2Vorig jaar brak je door. Je won het WTA-toernooi van Fez en kwam de top-100 binnen. Welke doelen heb je dit jaar?

„Vooral om beter te gaan tennissen. Ik heb geen ranking in mijn hoofd waar ik aan het eind van dit jaar wil staan, zo moet je niet denken. Er zijn nog zo veel punten in mijn spel die ik moet verbeteren. Daar wil ik dit jaar stappen in maken en dan komen de resultaten vanzelf.”

3Wat voor punten zijn dat?

„Mijn voetenwerk kan veel beter, maar vooral mijn service gaat nog niet zoals ik wil. Eind vorig jaar liep ik een schouderblessure op, door overbelasting maar ook door een verkeerde servicebeweging. Dit seizoen willen we die beweging iets veranderen. Ik probeer de service nu iets ruimer in te zetten en mijn schouder beter te buigen. In de trainingen gaat dat wel goed, maar in wedstrijden ben je ook met andere dingen bezig en lukt die beweging soms niet. Het moet een natuurlijke beweging worden.”

4Vorig seizoen verloor je een aantal partijen omdat je last had van spanning en faalangst. Hoe staat het daar nu mee?

„Ik krijg veel hulp van een mental coach. Een beetje wedstrijdspanning is goed, maar bij partijen tegen op papier minder tegenstanders had ik het gevoel dat ik moest winnen. Daar werd ik alleen maar gestresst van. Als ik nu zulke gevoelens heb of niet lekker in mijn vel zit, heb ik contact met die mental coach. Daar word ik sterker van.”

    • Arman Avsaroglu