Groothuis wint, in de allerlaatste bocht

Schaatser Stefan Groothuis won maar net het NK sprint. Maar de concurrentie is ook moordend.

Redacteur Schaatsen

Groningen. Van Jan Bos tot Eppie Bleker, van Annamarie Thomas tot Alie Boorsma. Glunderend keken de oud-kampioenen gisteren naar de 500 meter van het NK sprint, koffie en koeken binnen handbereik. Klaar voor een gezamenlijke ereronde op de sfeervolle ijsbaan van het Groningse Kardinge. „Wat een geweldig toernooi”, zegt Sies Uilkema (54), sprintkampioen in 1983. „Dit is echt wereldniveau, zeker in de breedte. Er kunnen wel zes schaatsers nog kampioen worden op de laatste afstand.” De Fries krijgt direct bijval van Boorsma (53), die in hetzelfde jaar de eerste sprinttitel won bij de vrouwen. „In dertig jaar tijd is Nederland echt een sprintersland geworden.”

Spectaculaire duels om honderdsten van seconden, baanrecord op baanrecord, handjes aan het ijs, staaltjes acrobatiek op smalle ijzers, een compact programma van 2,5 uur. En zowel bij de mannen als de vrouwen viel de beslissing pas in de laatste race, bij het uitkomen van de laatste bocht op de laatste 1.000 meter.

Daar verzuurde Ronald Mulder, tot aan de slotafstand nummer één bij de mannen, maar uiteindelijk slechts vijfde en niet geplaatst voor het WK sprint, over drie weken in Salt Lake City. Daar gleed Stefan Groothuis juist net wel snel genoeg door voor zijn zesde nationale titel, een record dat hij deelt met Gerard van Velde en Jan Bos. „Daar ben ik best trots op.” Mark Tuitert pakte met een toptijd (1.10,13) de zege op de slotafstand en plaatste zich als vierde verrassend voor het WK, net als Michel Mulder (tweede) en Hein Otterspeer (derde). „Ik ben beter dan ooit”, zei de olympisch kampioen op de 1.500 meter.

„Het niveau in Nederland is verschrikkelijk hoog”, sprak kampioen Groothuis (31), die na zijn slotrace niet eens meteen doorhad dat hij met 0,02 seconde voorsprong had gewonnen. De regerend wereldkampioen kampte in de aanloop naar het seizoen met een virus. Pas de laatste weken benadert hij weer zijn hoogste niveau, met plaatsing voor de wereldbeker op de 1.500 meter en goede trainingswedstrijden op de sprint. „Dat de verschillen hier zo klein zijn, ligt er niet aan dat ik niet goed rijd. De rest rijdt gewoon ook heel erg goed. Ik kan nog beter, maar zal die andere jongens niet snel weg rijden. Die Mulders rijden 35,0 in een trainingswedstrijdje. Dan weet je vooraf al dat het lastig wordt.”

Dertig jaar geleden stond het sprinten in Nederland ver in de schaduw van het almachtige allrounden. „Ik ging met Ina Steenbruggen met een rugzakje op in de nachttrein naar een WK sprint in Grenoble”, vertelt Boorsma lachend. „Vraag maar aan Jan Ykema: het ene jaar was er nog een aparte sprintploeg, maar een jaar later werd die zomaar opgeheven”, zegt Uilkema. „Er was gewoon minder belangstelling voor sprinttalent.”

Pionier Gerard van Velde haalde in 1995 de Amerikaanse succescoach Peter Mueller. In Jong Oranje zette Leen Pfrommer wereldkampioen junioren allround Jan Bos tegen diens zin op het sprintspoor. Met generatiegenoten Erben Wennemars en Marianne Timmer legden ze de kiem voor ‘Nederland sprintland’. Inmiddels zijn er meer professionele sprint- dan allroundploegen. Coach Jac Orie en krachttrainer Ton Leenders brachten vernieuwingen in hun ploeg rond kopman Groothuis. De broers Mulder namen kennis mee uit het skeeleren. „En het is een groot voordeel dat voormalige toppers als Van Velde en Timmer nu coach zijn”, zegt Uilkema. „Zij hebben oog voor de laatste details, die vooral bij het sprinten net het verschil kunnen maken.”

Gingen de Nederlandse schaatstalenten vroeger vanuit Jong Oranje automatisch allrounden, inmiddels valt de keuze steeds vaker op de combinatie van sprint en middenafstand. Voor het allrounden is veel zware duurtraining nodig om de lange afstanden te beheersen. En het uitzonderlijk hoge niveau van Sven Kramer en Jan Blokhuijsen – onlangs bij het NK allround mijlenver voor de rest – motiveert ook al niet. „Je ziet meer en meer jongens kiezen voor de sprint en middenafstand”, beaamt coach Erik Bouwman van Jong Oranje. „De meeste jongens hebben als eerstejaars A-junior nog nauwelijks een vijf kilometer gereden. Waarom zouden ze dat gaan doen, als ze al goed zijn op de kortere afstanden? Je ziet volop specialisten op sprint en middenafstand in de professionele ploegen. Vroeger waren er in Nederland weinig sprinters, nu zie je bij de mannen een gebrek aan allrounders. En het sprinten is breder dan ooit.”

    • Maarten Scholten