Geef ons troost en een blik frisse

Je moet je kunnen vereenzelvigen met een kunstwerk. Gijsbert van der Wal gebruikt een nieuwe invalshoek voor het kijken naar kunst: het karakter van de kijker.

Medewerker Boeken

‘Op bezoek bij een levende stillevenschilder’ luidt een van de bijna Bomansiaanse tussenkopjes in Gijsbert van der Wals boek over kunst en kunstenaars. Het hoofdstuk leest als een kort verhaal waarin de auteur zelf een prominente rol speelt. Tegen zijn gewoonte in is hij al vroeg opgestaan om de treinreis te ondernemen van een niet nader genoemde plaats in het midden des lands naar Groningen. Doel van de tocht is een gesprek met de stillevenschilder Piet Sebens (1961).

Onderweg stoort de auteur zich aan rottende klokhuizen in het afvalbakje, aan matineuze medereizigers en vooral aan oponthoud door de haperende machinerie van de Spoorwegen. Dat het reisdoel uiteindelijk toch wordt bereikt, blijkt uit de passages waarmee hij zijn odyssee naar het noorden vanaf het begin doorsnijdt.

Zo komen we steeds meer te weten over de schilder Sebens, diens manier van werken en artistieke opvattingen. De vraag waarop Van der Wal een antwoord zoekt, is waarom Sebens en andere hedendaagse schilders met hem, zich toeleggen op het uiterst precies weergeven van intieme, verstilde composities van louter voorwerpen. Dat genre heeft sinds de 17de eeuw schitterende resultaten voortgebracht, maar vandaag de dag lijkt het achterhaald.

Het hoofdstuk illustreert bij uitstek de aard van dit boek. Gedreven door een aanstekelijke nieuwsgierigheid zoekt de auteur, kunstmedewerker van deze krant en redacteur van het VPRO-radioprogramma De Avonden, naar de drijfveren van kunstenaars, naar hun themakeuzen en werkwijzen. En daarin is de persoon van Gijsbert van der Wal nooit ver weg: soms nadrukkelijk aanwezig, zoals in de queeste naar de geheimen van de ‘levende stillevenschilder’, soms meer als commentator aan de zijlijn.

Vaak ook blijkt hij persoonlijke betrekkingen te onderhouden met de kunstenaars over wie hij schrijft: hij gaat op atelierbezoek, loopt een dagje (of bij gelegenheid een nachtje) mee, en leert en passant wat kneepjes van het schildersvak bij.

In zijn slaapkamer hing een tijdlang een werk van Arie Schippers (1952), die het hem zelf in bruikleen gaf. En Van der Wal poseert voor een portret dat van hem werd gemaakt door Willem den Ouden (1928), de schilder over wie hij in 2003 al een monografie publiceerde.

Bovenal zijn het Van der Wals eigen artistieke voorkeuren (en antipathieën) die de inhoud van zijn boek bepalen. Een uitgesproken voorkeur heeft hij voor de ambachtelijke traditie van tekenen en schilderen, en voor kunstwerken die de zichtbare werkelijkheid uitbeelden, of daar ten minste naar verwijzen – van traditionele stillevens tot droomgezichten, zoals Paul Klemann (1960) die zebra’s tekent met in plaats van een kop een potlood.

De vraag of ‘de kijker zich op de een of andere manier met het voorgestelde kan vereenzelvigen’ acht hij essentieel. Daarmee introduceert hij, op een ander niveau, een persoonlijke invalshoek die kunsthistorici meestal veronachtzamen: in de waardering voor kunstwerken maakt het volgens Van der Wal veel uit ‘of het schilderij appelleert aan iets strikt persoonlijks – iets wat met je karakter te maken heeft, met je geslacht en je seksuele voorkeur, je afkomst, je vrienden, je opleiding, met de kunst die je tot nu toe in je leven gezien hebt (en wanneer, en waar, en met wie) en – het zal ook eens niet – met je jeugd’.

Dat betekent niet dat dit boek alleen een hoogstpersoonlijk verslag is van Van der Wals persoonlijke omgang met kunst. De beschrijvingen waarmee het boek is gelardeerd van bijvoorbeeld schilderijen waarin hij troost vindt, waarin hij graag zijn toevlucht zou nemen, of die hem doen denken aan zijn jeugd in een dorp aan de Waal, vormen er eerder oprechte en ook treffende illustraties van.

Met uitstapjes naar buitenlandse grootheden als de Britse kunstenaars Lucian Freud en David Hockney, biedt dit levendig geschreven boek een overzicht van 20ste-eeuwse figuratieve kunst in Nederland. Levende kunstenaars krijgen de nadruk, maar het beginpunt ligt aan het einde van de 19de eeuw toen het natuurgetrouw uitbeelden van de werkelijkheid ter discussie kwam te staan.

Van der Wal laat zien hoe desalniettemin, in dik een eeuw daarna, zowel de figuratie als de schilderkunst die gegrondvest is op ambachtelijke fundamenten heeft gebloeid. Al was het maar, zo lijkt het, om al wie dat ontkent definitief de mond te snoeren. Met een venijn dat opvalt binnen de afgewogenheid van zijn stijl, sist Van der Wal: ‘Er zijn ook mensen die beweren dat de schilderkunst in de tussenliggende anderhalve eeuw is doodgegaan. Die mensen moeten zelf dood’.

De ‘stukken over kunst en kijkplezier’, zoals de ondertitel van Wijd open ogen luidt, zijn grotendeels bewerkingen van eerder in kranten en tijdschriften gepubliceerde artikelen en interviews voor de radio. Ze zijn thematisch gegroepeerd in hoofdstukken over genres als portretten en naakten, landschappen en marines, nachtstukken en ijsgezichten. Allemaal zijn het categorieën die aansluiten bij de schilderkunstige traditie, maar dan in een 20ste-eeuwse, of hedendaagse verschijningsvorm.

Arie Schippers bijvoorbeeld, schildert straten en parkeerplaatsen met auto’s – en dan geen opgepoetste oldtimers uit de alweer vervlogen glorietijd van de automobielindustrie, maar alledaagse middenklassers. Jaap Nieuwenhuis (1927) maakt reeksen aquarellen van interieurs van zijn oude huis, die in vorm en sfeer 19de-eeuws aandoen. Maar nostalgisch zijn ze niet, zoals Van der Wal observeert, want ‘een lichtknopje is net zo welkom als een antieke lessenaar, er staan foto’s op het dressoir, en onder de vensterbanken hangen radiatoren van de centrale verwarming’.

Ook de foto’s van Marjan Teeuwen (1953) tonen interieurs, maar dan op een desoriënterende manier. Ze maakt ze in slooppanden waarin doorgebroken muren en plafonds ruimtes met elkaar verbinden die normaal gesproken van elkaar gescheiden blijven.

Schilderes Kris Spinhoven (1959) die een deel van het jaar woont en werkt in Frankrijk, maakt daar landschapschilderingen van de bergen in de omgeving. ‘We bekijken de laatste oogst die ze uit de Franse bergen heeft meegebracht’, schrijft Van der Wal, en – typerend voor een boek met veel namen en relatief weinig afbeeldingen – ‘wie wil meekijken moet op haar website wezen’.

Berglandschappen hebben zich zodanig in het collectieve geheugen genesteld dat ze een ‘gevaarlijk subgenre’ vormen, ‘en al helemaal met sneeuw of bij zonsondergang’. Kitscherigheid ligt op de loer, erkent Spinhoven: ‘Als je bij het zien ervan alleen maar denkt: goh, lekker vlot geschilderd, dan houdt het op’.

Gijsbert van der Wal zal het met die opmerking hartgrondig eens zijn. De afkeer van formulewerk vormt immers een deel van het antwoord dat hij zocht op zijn reis naar de Groningse stillevenschilder Piet Sebens. Letterlijk gaandeweg wordt hem duidelijk dat het schilderen van traditionele stillevens ook tegenwoordig nog bestaansrecht heeft. En dan niet op de manier waarop sommige, bij een groot publiek populaire schilders van nostalgische stillevens het doen. Door zich louter toe te leggen op de natuurgetrouwe weergave van oppervlakken, maken zij volgens Van der Wal clichéwerk, ‘zonder frisse blik op of enthousiasme voor de uitgebeelde voorwerpen’. Piet Sebens, daarentegen, komt uit Van der Wals betoog naar voren als een schilder die wars van schema’s en automatismen steeds opnieuw zijn onderwerp aandachtig observeert en de substantie en ruimtelijkheid poogt te doorgronden van de voorwerpen die hij uitbeeldt. Die aandacht is van alle tijden, dus ook van deze.

De moeizame treinreis naar Groningen brengt de auteur zelfs tot het inzicht dat het ‘juist in deze tijd lekker kan zijn om thuis te blijven en je terug te trekken in een schilderij. […] Alleen maar kijken naar die gave spullen in het noorderlicht’. Zo geldt voor zowel de kunstenaar als de beschouwer: ‘goed kijken, kijken alsof je het voor het eerst ziet’.

Gijsbert van der Wal: Wijd open ogen. Stukken over kunst en kijkplezier. De Bezige Bij, 400 blz. € 32,50

    • Bram de Klerck