Finley en Drake laten de goden donderen

Gerald Finley (bariton), Julius Drake (piano). Gehoord: 5/1 Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam.

In een driekwart jas, zoals Schubert wel droeg, zong de beroemde Canadese bariton Gerald Finley zaterdag liederen van Schubert en Mahler. Die liederen liggen in elkaars verlengde: lief en vooral heel veel leed uit vroeger tijden, zoals in zwang in de schrikwekkende tijd van de romantiek. Schubert gebruikte in het begin van de 19de eeuw teksten van eigentijdse dichters. Aan het eind der eeuw greep Mahler terug op de veel oudere, vaak middeleeuwse liedteksten uit de bundel Des Knaben Wunderhorn (1805-08).

Al liet Schubert die laatste teksten terzijde, ze inspireerden wel de dichters uit zijn tijd. En zo componeerde Schubert op tekst van Karl Gottfried von Leitner het lied Der Kreuzzug: terwijl ridders beginnen aan een kruistocht, blijft een monnik achter. Maar ook hij ziet zich als pelgrim, langs de lotgevallen van het leven op weg naar het beloofde land. Finley schilderde zijn angsten treffend met grauwe en morbide accenten.

De subtiele zangkunst van Finley, die onlangs nog bij het Koninklijk Concertgebouworkest excelleerde in Brahms Ein deutsches Requiem, heeft beperkingen. Hij leek aan het begin van een Europese tournee aanvankelijk bleek en bevangen. Daarna bracht hij, samen met pianist Julius Drake, meer reliëf en volume aan, zoals in Grenzen der Menschheit, waarin de goden donderen en bliksemen.

Prachtig en suggestief wisselde Finley van stemtype in Schuberts Erlkönig en Mahlers Wo die schönen Trompeten blasen. Jammer was dat Mahlers Das irdische Leben, een variant op het Erlkönig-thema, hier niet klonk. Des Antonius von Padua Fischpredigt miste ironie. Maar de humor brak wel door in Lob des hohen Verstands, over de zangwedstrijd tussen koekoek en nachtegaal.

    • Kasper Jansen