Een leven rond drank en dope

Bezuinigingen drijven verslaafden straks de straat op, waarschuwen hulpverleners. Nu houdt verslavingszorg nog 76.000 mensen uit de goot.

„Iedereen kijkt op je neer. Omdat je drinkt of drugs gebruikt. Omdat je niks kunt en niks bent en ook nog stinkt. Hier helpen mensen je ontdekken waar je wel toe in staat bent.”

Schrijver/journalist Rob van Olm volgde op eigen initiatief een jaar lang verslaafden binnen Bouman-GGZ, een van de grootste instellingen voor verslavingszorg. Dat resulteerde in een niets verhullend boek over nederlagen en kleine triomfen in het dagelijkse leven van verslaafden. Toen Bouman-GGZ eind vorig jaar een brandbrief naar de minister van Volksgezondheid stuurde, kort voor de begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer, deed de instelling daar een exemplaar bij van het boek: Het gevecht; verslaving, de onberekenbare vijand. Omdat het „beter dan welke beleidsnotitie de complexiteit van onze patiënten en van de hulpverlening beschrijft”.

De instelling waarschuwde in de brandbrief dat verslaafden weer op straat dreigen te belanden door een opeenstapeling van bezuinigingen. Terwijl ruim 12.000 daklozen de afgelopen vijf jaar in de vier grote steden juist uit het straatbeeld zijn verdwenen. Hun geestelijke en lichamelijke gezondheid is sterk verbeterd door hun onderdak, begeleiding en dagbesteding te geven. Ze gebruiken minder drank en drugs. Ze komen minder vaak in aanraking met justitie. Ze veroorzaken minder overlast. En een verslaafde in de zorg kost de gemeenschap de helft minder dan een zwerver op straat.

Sleutel tot succes waren beschermde woonvormen voor verslaafden. Maar daar wordt straks 30 procent van de bedden geschrapt. Ook wordt fors gekort op dagbesteding.

Bezuinigingen bedreigen ook het Rotterdamse werk- en activiteitencentrum De Eschpolder, waar Rob van Olm kind aan huis lijkt. Verslaafden repareren hier onder begeleiding fietsen, ze bewerken hout, ze volgen computerles of ze schilderen en tekenen. Van Olm bejubelt een portret van prins Claus, gemaakt in mozaïek, door een verslaafde Marokkaan.

Hij had zich nooit gerealiseerd dat de wereld van de verslaafden zo radicaal anders is dan die van de nuchtere burgers. „Mensen weten niet waarover ze praten als ze verslaafden als slappelingen beschrijven die zich best zouden kunnen beheersen als ze net een beetje meer ruggengraat hadden. Eigen schuld, dikke bult.” Verslaving is niet aangeleerd, maar een hersenziekte, een psychiatrische aandoening die niet overgaat en niet is te genezen. Waar met de juiste zorg en behandeling wel menswaardig mee valt te leven. Min of meer.

Veel mensen kennen het verlangen ’s avonds naar een glas bier of wijn. Maar de hunkering die een verslaafde voelt, is honderdmaal sterker, zegt Van Olm. En de gevolgen zijn duizendmaal groter. Wie niet gebruikt, voelt zich ziek en hopeloos.

Het leven draait alleen nog om drank of dope. Alles, zegt Van Olm, letterlijk alles geeft een verslaafde daarvoor op. Familie, vrienden, werk. Als het nodig is, steekt hij zich in de schulden, steelt hij of slaat hij iemand de hersens in. Hij vormt een bedreiging voor zichzelf, zijn naasten en de maatschappij. Zolang hij niet behandeld wordt. De verslavingszorg in Nederland houdt meer dan 76.000 patiënten uit de goot.

Van Olm zag hoe moeilijk het is om blijvend van een verslaving af te komen en hoe weinig mensen dat lukt. Hij vond het telkens weer een tragedie om te zien hoe een verslaafde terugviel. Vijfde poging. „Zo gênant, zo dramatisch. Weer een mislukking.”

Maar er zijn ook relatieve successen. Een verslaafde die weer contact legt met familie. Iemand die zelfstandig gaat wonen. Iemand die een baan vindt. De meesten zullen hun verdere leven begeleiding nodig houden. „Pappen en nathouden” noemt Van Olm dat. Positiever: verloedering stoppen. Voor rust en regelmaat zorgen. Een beetje zelfvertrouwen geven. Misschien is dat het hoogst haalbare. „Alle andere scenario’s zijn slechter.”

Verslaafde Lies staat ook in het boek van Van Olm. „Wanneer is het af?”, vraagt ze, terwijl ze in het activiteitencentrum aandachtig verder werkt aan haar schilderij. In het boek vertelt hij dat Lies pas op haar veertigste met drugs is begonnen. Ze is een van de weinige verslaafden die nog bezoek krijgt van haar kinderen, twee volwassen dochters.

Het is ook het verslag van Marcus, Loe, Frans, Fleur en al die andere verslaafden die een jaar lang wel en wee met Van Olm hebben gedeeld. Al die verslaafden die eindelijk eens hun verhaal mochten vertellen. „Verplichte kost”, zeggen ze bij Bouman GGZ, „voor iedereen die een mening heeft over verslaving.” Zoals de minister en leden van de Tweede Kamer.

    • Dick Wittenberg