Aaitechnieken

Ik las dat er in een Braziliaanse gevangenis een poging ondernomen is om spullen binnen te smokkelen via een kat – met plakband zaten de volgende spullen aan zijn lijf geplakt: een zaag, betonboren (meervoud!), een mobiele telefoon, een batterij, een oplader, een bluetooth headset en een geheugenkaart. Mijn eerste gedachte: hoe dik was deze kat? Het moet een soort wandelende poef zijn geweest, wil je minstens acht artikelen een beetje fatsoenlijk op hem kwijt kunnen. Dat ie gesnapt is, verbaast me dan ook niet zo heel veel; ik stel me toch een soort waggelende potten- en pannenwinkel voor, die per ongeluk met een losgeraakt stukje duct tape onderweg nog wat sigarettenpeuken en een inlegkruisje heeft opgepikt.

Mijn tweede gedachte was: wat voor leven had de kat in de gevangenis? Kennelijk werd hij daar in het geheim grootgebracht door een aantal gedetineerden. Ik zag die mannen voor me, in hun cel, terwijl ze Capitão Miau onder hun lakens verborgen voor de bewakers en hem ’s nachts voorbereidden op zijn koeriersrol door wc-rollen en lepels op hem te balanceren. Ik vroeg me af of ze hem alleen handig vonden of ook echt een band met hem voelden, hem misschien wel via een strak opgesteld roulatiesysteem om de beurt tien minuten mochten aaien. Hierdoor dacht ik aan hoeveel verschillende kattenaaitechnieken er eigenlijk bestaan:

De ruitenwisser, vooral gebruikt door de wat meer onervaren aaiers: vol enthousiasme wordt er stevig heen en weer geaaid – meestal tot het moment dat de kat in kwestie er genoeg van heeft.

De kattenfluisteraar, waarbij de aaier zich probeert te verdiepen in de belevingswereld van de kat en er vooral voor zorgt dat zijn handen flink langs de snorharen strijken, zodat het specifieke kattenaroma goed achterblijft op de hand – de iets mildere versie van met instemming over elkaar heen plassen.

De stoeier, een techniek die je vooral ziet bij machomannen die duidelijk willen maken dat een zwak voor iets pluizigs op pootjes absoluut niet conflicteert met hun mannelijkheid. Zij uiten hun affectie het liefst door de kat herhaaldelijk om te duwen, iets te hard op zijn hoofd te kloppen of als verrassing te tackelen. (Vreemd genoeg heb ik verschillende katten gezien die hier op masochistische wijze van genoten en steeds weer terugkeerden bij hun baasjes om opnieuw even bij hun achterpoten de lucht in getild te worden.)

De oogbolblootlegger, waarbij iemand met zoveel kracht achterwaarts over het hoofd aait en de huid dusdanig opstroopt dat de oogbollen volledig bloot komen te liggen, wat gepaard gaat met het nodige uitploppingsgevaar.

De masseur, de persoon die niet stopt met de grondige behandeling voordat de kat met alle poten gestrekt languit op de vloer ligt en zich over zijn buik laat wrijven als de eerste de beste lellebel.

Ik neem aan dat in de Braziliaanse gevangenis deze laatste techniek veelvuldig werd toegepast – wat is een cel zonder lellebel, immers.

    • Renske de Greef