Vrijgevochten cowboys breken door

Op straat worden ze niet herkend – nog niet. Maar de shorttrackers zijn in opmars. „We maken meer ijsuren dan de schaatsers op de langebaan”, weet Jeroen Otter.

Jeroen Otter met z’n shorttrackers in Thialf: „Veel trainers maken het zó comfortabel, moeten zelfs hun kont afvegen.” Foto Kees van de Veen

H ij had zijn shorttrackers aangeraden pepperspray mee te nemen. Dat kon hun leven redden, mochten ze tijdens hun fietstocht van Calgary naar Vancouver een beer treffen. Dwars door de wildernis van de Rockies, met de mountainbike boven het hoofd door rivieren waden omdat de brug die de kaart aangaf weggeslagen was. Op weg naar de Winterspelen.

Typisch Jeroen Otter. Altijd op zoek naar iets nieuws, iets uitdagends. Anderhalf jaar geleden, inmiddels bondscoach in Nederland, liet hij zijn shorttrackers na een trainingskamp in de Pyreneeën 1.700 kilometer terug naar Heerenveen fietsen – onaangekondigd. „Natuurlijk waren ze sceptisch. Maar hoe langer ze reden, des te meer ze het zagen als een uitdaging. Uiteindelijk voelde het bijna alsof ze een medaille hadden gewonnen.”

Voor komende zomer moet hij nog iets bedenken. Jeroen Otter (48) voelt zich thuis buiten gebaande paden. Het houdt hem en zijn sporters scherp, zegt hij in zijn kantoor in Thialf, thuisbasis van de shorttrackploeg. „If everything seems under control, you’re not going fast enough”, citeert hij de Amerikaanse ex-autocoureur Mario Andretti. „Laat een sporter zich soms oncomfortabel voelen. Laat hem comfortabel worden met het oncomfortabele.”

Die filosofie strooit Otter dagelijks uit over zijn shorttrackploeg. Die staat ineens volop in de schijnwerpers, sinds de spectaculaire coup die Jorien ter Mors pleegde op de NK allround op de langebaan, afgelopen weekend. Maar haar succes komt niet uit de lucht vallen, weet Otter, die de langebaan graag als trainingsvorm gebruikt. Af en toe wat anders. En dertien maanden voor de Spelen van Sotsji liggen ze op koers, met olympische nominaties voor Ter Mors, Sjinkie Knegt, Niels Kerstholt, Freek van der Wart en Daan Breeuwsma.

Voor Otter is het bekend terrein. Zelf haalde hij vier wereldtitels tussen 1986 en 1990 – en olympisch goud in Calgary (1988) met de aflossingsploeg. Maar die titel is moeilijk terug te vinden: shorttrack was destijds een demonstratiesport. „Wij waren destijds vrijgevochten cowboys in Nederland”, zegt Otter, die als 14-jarige was gaan shorttracken omdat hij als „iel mannetje” tekort kwam op de winderige Nederlandse buitenbanen. Maar waardering voor de prestaties was er nauwelijks; alle geld en aandacht ging naar de langebaan. „De bond dacht: het gaat goed met de shorttrackers, ze winnen titels. Maar toen het olympisch werd ging in het buitenland het gas erop. Wij bleven stilstaan.”

Otter trok naar de Verenigde Staten, waar hij de Amerikaanse ploeg ging trainen op de ‘1980 Rink’ van Lake Placid, beroemd geworden om de heroïsche zege van de Amerikaanse ijshockeyers op de Sovjet-Unie. „Dat hele dorp leeft nog steeds op die overwinning, midden in de Koude Oorlog. De Amerikaanse manier van denken heeft mij altijd aangetrokken. Als je iets wilt, kan het. Ze hebben er alles over voor. Wil jij naar de Spelen? Dan verhuist het hele gezin van Kentucky naar Salt Lake City.”

Later coachte hij in Calgary een bont gezelschap shorttrackers. Otter zag van nabij hoe Noord-Amerikaanse shorttrackers en inlineskaters, niet gehinderd door enige schaatstraditie, de langebaan in een paar jaar tijd op hun kop zetten. Eerst KC Boutiette, daarna Derek Parra, die in 2002 olympisch kampioen werd. „Toen dacht Chad Hedrick: als Parra het kan, kan ik het helemáál. Het was een domino-effect. Jennifer Rodriguez kwam uit Florida, kende ijs alleen uit een hoorntje.”

Anders durven zijn. Dertig jaar geleden ging Otter als één van de eerste schaatsers in de zomer op zoek naar ijs, in Chamonix, om te kunnen trainen. „Als je wilt shorttracken, moet je ook shorttracken. Niet een berg op fietsen of de hele zomer hardlopen. Epke zwaait ook tien maanden aan die rekstok. In Nederland zijn kinderen van veertien de hele zomer bezig met fietsen en duintrainingen. Maar die gingen op schaatsen omdat ze schaatsen leuk vinden.”

Ondanks alle zijpaden is dat dagelijkse kost: urenlang slijpen aan de techniek, op het ijsveldje binnen de 400-meterbaan van Thialf. „Ik denk dat wij meer uren op het ijs zitten dan de langebaanschaatsers. Die doen meer krachttraining. Toch zou ik meer nadruk leggen op techniek. Jan Bos en Jeremy Wotherspoon waren mooie voorbeelden.”

Maar om de paar dagen moet het anders. „Anders laat je zaken versloffen.” Dus gaan ze ijshockeyen. Of baanwielrennen in Apeldoorn. „Dat heeft overeenkomsten met shorttrack: rondjes rijden met mensen om je heen. Het gaat ongelooflijk hard. En als je het nog nooit gedaan hebt is het fokking eng, je van boven naar beneden laten vallen. Maar als je af en toe de controle durft te verliezen, wordt de controle uiteindelijk groter. Om beter te worden moet je naar werelden die je niet kent.”

Dat raakt het wezen van topsport. Daarom laat hij zijn schaatsers onvoorbereid door half Europa fietsen. „Het ging mij niet om de fysieke training, maar om de mentale weerbaarheid. Het regent? De weg kwijt? Jongens, we moeten door. Je leert dat je je niet moet laten leiden door negatieve emoties bij tegenslag. Veel trainers maken het zo comfortabel mogelijk voor hun sporters. Moeten zelfs hun kont afvegen. Maar sporters hebben hun eigen verantwoordelijkheid. En ook op de Spelen kun je niet alles controleren.”

Neem de kapotte dweilmachines die de olympische 500 meter (langebaan) in Vancouver ophielden. „Terwijl je gefocust bent op je start, om twee minuten over drie. Als je je laat beïnvloeden door dat oponthoud heb je vier jaar voor lul getraind. Je kunt ook denken: het zij zo.”

Want shorttrack is een combinatie van techniek, tactiek en kracht. Maar eenmaal aan de startlijn gaat het om twee zaken, zegt Otter. „Het is 50 procent mentaal, die andere 50 zit tussen de oren. Zo simpel is het.”

Bij zijn eigen shorttrackers zag hij het plotseling omslaan, één voor één. Vorige maand overkwam het Freek van der Wart, bij wereldbekerwedstrijden in Shanghai. „Hij was ingedeeld in een rit met een Europees kampioen, wereldkampioen en drievoudig olympisch kampioen. Hij zei: prima. Geen enkele emotie. Hij werd tweede en ging naar de halve finale.”

Hoe sterk Otters shorttrackers zijn, bewijst Ter Mors, die afgelopen weekeinde Ireen Wüst in Thialf op drie van de vier afstanden versloeg. Hij is niet verrast over Ter Mors, wel over sommige reacties. „Journalisten vroegen of ze niet moest overstappen naar de langebaan. Alsof dat het hoogst haalbare is.” Maar Ter Mors is, net als Otter, een echte shorttracker. Langebaantrainingen doen ze omdat ze hogere snelheden halen en hun lijf meer kunnen belasten. Om een betere shorttracker te worden.

Toch is Otter nieuwsgierig geworden. Hij sluit niet uit dat Ter Mors in Sotsji op beide disciplines zal starten. In Vancouver werd het al gedaan door de Letse rijder Haralds Silovs, jarenlang een pupil van Otter. „Ik heb het programma in Sotsji inderdaad maar eens bekeken. Op zondag rijden de vrouwen de 3.000 meter langebaan, op maandag zijn de voorrondes de 500 meter shorttrack en de aflossing. Ik twijfel er geen moment aan dat Jorien dat fysiologisch en technisch aankan. Ze heeft in beide sporten medaillekansen. We hebben het er nog niet over gehad. Maar ik zie wel unieke mogelijkheden.”

Ze zou de perfecte brug vormen tussen twee disciplines die in Nederland verschillend worden gewaardeerd. Dat frustreert sommige shorttrackers nog wel eens, weet Otter. Meervoudig Europees kampioen Sjinkie Knegt kan in Heerenveen rustig over straat, zonder te worden herkend. „Ik zeg altijd tegen mijn shorttrackers: vergelijk het eens met veldlopen of andere sporten waarvoor mensen zich ook helemaal de tyfus trainen. Dan hebben wij het niet eens zo slecht, als het kleine broertje van de langebaan.”

Zelf kan Otter uren op de tribune zitten, een training van Sven Kramer of Jorrit Bergsma observeren. „Kijken wat zij doen om beter te worden. Kijken hoe diep Jan Smeekens zit, die schaatst onder een tafel door. Met dat soort dingen zijn wij óók bezig.”

Otter zou graag zien dat er één Jong Oranje komt bij de bond, een ploeg met langebaanschaatsers, shorttrackers en inlineskaters, zodat kennis en ervaring worden uitgewisseld. Zo leert Jan Blokhuijsen nu al van de shorttrackers, en Ter Mors van de langebaanrijders. „Iedereen moet profiteren van al die schaatskennis. Neem Kramer: die is met zijn records in een wereld geweest die niemand anders kent. Ik kan praten wat ik wil, als coach, maar ik kan mijn shorttrackers nooit vertellen hoe het is om zo hard te schaatsen.”