Thuiswerken ? Ga toch lekker naar kantoor Thuiswerken in het elektronische slavenhok

Thuiswerken achter de computer is toch niet zo mooi als het lijkt. Het spaart niet perse het milieu en we worden opgejaagd door werkgevers die het niet kunnen overzien. Het ‘elektronische buitenhuisje’ is een slavenhok, vindt Evgeny Morozov.

Het pleidooi voor telewerken – thuiswerken achter de computer – heeft altijd romantische trekjes gehad.

Het meest spraakmakend is het verwoord door Alvin Toffler in zijn bestseller The Third Wave uit 1980. Voor futuristen als Toffler zou het kantoor aan huis een ‘elektronisch buitenhuisje’ zijn dat misschien ‘het gezin weer aan elkaar zou lijmen’, ‘de gemeenschap als geheel stabiliteit zou geven’ en ‘een renaissance onder vrijwilligersorganisaties’ tot gevolg zou hebben.

In je eentje bowlen? Geen denken aan: in de toekomst van Toffler zouden we allemaal samen thuiswerken. Hierbij moet worden aangetekend dat Toffler alleen maar ideeën populariseerde die al tientallen jaren eerder waren geopperd. Zo had Norbert Wiener, de vader van de cybernetica, in zijn historische boek The Human Use of Human Beings bijvoorbeeld al gespeculeerd over een architect in Europa die met behulp van een soort faxapparaat de bouw van een gebouw in Amerika zou begeleiden.

Technologiejournalisten verslonden zulke verhalen van emancipatie met behulp van technologie. In 1983 schreef de San Jose Mercury News opgetogen: „Thuiscomputers kweken werkende moeders”. Het leek indertijd geen onredelijke verwachting dat het ‘elektronische buitenhuisje’ ons op een dag misschien in staat zou stellen om in de beroemde woorden van Karl Marx „’s ochtends te jagen, ’s middags te vissen, ’s avonds veeteelt te bedrijven en na het eten de kritiek te beoefenen”.

Voor Toffler en zijn aanhangers was het duidelijk: mensen zouden computers gebruiken om meer werk in minder tijd te verzetten. Daarmee zouden ze tegelijkertijd ontkomen aan de vervreemdende ervaring van een baan in de stad van negen tot vijf.

Tofflers droom lijkt nog ver weg – om over die van Marx maar te zwijgen. In beperkte vorm heeft thuiswerken uiteraard een aardige vlucht genomen. Eerder dit jaar bleek uit een peiling van Ipsos/Reuters dat ongeveer een op de vijf werknemers ter wereld veelvuldig thuiswerkt, een praktijk die vooral gangbaar is in het Midden-Oosten, Latijns-Amerika en Azië.

De vraag werd niet gesteld, maar het lijkt een redelijke veronderstelling dat maar weinig van die werknemers vinden dat ze in een soort ‘elektronisch buitenhuisje’ wonen. Een van de oorzaken is dat slechts weinig bedrijven het thuiswerken volledig hebben omarmd. Natuurlijk, van veel werkgevers mogen hun medewerkers om de andere vrijdag thuis werken, maar ze moeten nog altijd een bepaalde tijd hun gezicht op kantoor laten zien.

Werken op afstand mag nog zo geweldig klinken, onderzoek wijst uit dat het zeker niet altijd aan de verwachtingen voldoet. Op dit gebied is de opvallendste mislukking van de laatste tijd een eenjarig experiment uitgevoerd door het Amerikaanse Office for Personal Management, een overheidsdienst die gaat over het ambtenarenapparaat. De werknemers mochten volledig flexibel beslissen waar en wanneer ze werkten, zolang het werk maar werd gedaan. Helaas bleek uit een rapport van Deloitte waarin het pilotprogramma werd geëvalueerd, dat de leiding van deze overheidsdienst de prestaties van de werknemers niet kon beoordelen, dat de kwaliteit van het werk verslechterde en dat de medewerkers geen idee hadden of ze zich genoeg tijd en moeite getroostten.

Natuurlijk loopt niet elke poging tot grootschalig thuiswerken af als die bij het Office for Personal Management. Vaak wordt de Amerikaanse verzekeringsmaatschappij Aetna als succesverhaal gepresenteerd: 47 procent van haar Amerikaanse werknemers werkt dagelijks thuis. Maar het heeft ook een keerzijde om zoveel tijd thuis door te brengen: de thuiswerkers van Aetna zijn dikker dan gemiddeld en het bedrijf biedt nu een online personal trainer aan om ze te helpen in conditie te blijven.

Ook zou het kunnen dat thuiswerken, in tegenstelling tot bepaalde eerdere verwachtingen, niet per se goed voor het milieu is. Uit een artikel in 2011 in de Annals of Regional Science bleek dat telewerkers uiteindelijk gemiddeld meer reizen – zowel buiten hun werk als in verband daarmee – dan mensen die niet thuiswerken.

Oftewel: dat ze niet met de auto naar hun werk gaan, wil nog niet zeggen dat ze in het algemeen minder autorijden. Zoals Pengyu Zhu, de schrijver van het artikel, het verwoordde: „De hoop van planners en beleidsmakers die verwachtten dat de bevordering van thuiswerkprogramma’s de persoonlijke contacten zou verdringen en daarmee het traditionele reizen zou verminderen, blijft grotendeels onvervuld’.

Sterk onderbelicht blijft ook de precieze reden dat pogingen om het thuiswerken te stimuleren, zoals die van verzekeraar Aetna, hun doelstellingen kennelijk bereiken. Zoals een onderzoek van de Wall Street Journal laatst heeft uitgewezen, doen steeds meer bedrijven die het thuiswerken hebben omarmd een beroep op nieuwe en geavanceerde technieken om toezicht te houden. Dit om te voorkomen dat hun werknemers verslappen.

Werkgevers kunnen bijvoorbeeld screenshots van de computeractiviteiten van hun medewerkers nemen of hun browsergeschiedenis nagaan. En intussen ook vaststellen hoeveel tijd hun thuiswerkers op elke site doorbrengen. Als medewerkers hun thuiscomputer voor hun werk gebruiken, kan daarbij hun privacy – en die van hun gezinsleden – worden geschaad. Gluurt hun werkgever, al was het maar per ongeluk, ook naar hun surfgedrag buiten werkuren?

In feite is het vermeende ‘elektronische buitenhuisje’ een ‘elektronisch slavenhok’. Dat komt niet alleen door het toezicht, maar ook doordat veel werknemers die thuis werken uiteindelijk vaak veel meer werk doen dan voor de tijd van hun ‘bevrijding’. Hierop wijst tenminste een onlangs verschenen studie in Monthly Labor Review, een publicatie van het Amerikaanse ministerie van werkgelegenheid.

Op grond van twee uitvoerige verzamelingen gegevens volgt de studie de ontwikkeling van de thuiswerkpraktijk in de Verenigde Staten gedurende de afgelopen decennia. Met tal van verrassende uitkomsten. Zo lijken thuiswerkers minder vaak getrouwd. De belangwekkendste bevinding is dat het thuiswerken niet de balans tussen leven en werk heeft hersteld, maar misschien juist heeft bewerkstelligd dat werknemers meer werk verrichten – zij het nu thuis.

Volgens de auteurs zou een aannemelijke interpretatie van hun bevindingen kunnen zijn dat „thuiswerken een grote rol speelt in de algehele verruiming van de werkuren en voorziet in de behoefte bij werknemers aan extra werktijd buiten de standaardwerkweek en/of het vermogen van werkgevers om de eisen aan hun werknemers in loondienst te verhogen of te intensiveren”.

Thuiswerkers – die merendeels nog altijd naar kantoor gaan, zij het dan ook minder dan hun niet thuiswerkende collega’s – bevinden zich met andere woorden in een soort Catch-22-situatie: dankzij de technologie willen ze productiever worden en meer tijd aan hun gezin besteden, maar de beschikbaarheid van productiviteitsverhogende technologie geeft hun managers weer het idee dat de werknemers meer werk zullen verzetten, in het weekend of na het avondeten.

Een aantal sterke aanwijzingen ter ondersteuning van deze stelling is te vinden in het onderzoek Networked Workers van het Pew Research-project, waarin wordt vastgesteld dat „werkende Amerikanen sinds 2002 steeds vaker in het weekend, op vakantie en voor en na hun werk hun werk-gerelateerde e-mail checken”.

Is het mogelijk dat de arbeidsbesparende foefjes die onze balans tussen leven en werk moesten helpen herstellen alles alleen maar erger maken? Zo’n paradoxale wending zou in de geschiedenis van de technologie niet zo verrassend zijn.

De historica Ruth Schwartz Cowan van de universiteit van Pennsylvania heeft in haar klassieke More Work for Mother aangetoond dat vrouwen door de komst van zogenaamd arbeidsbesparende apparaten in het huishouden steeds meer werk zijn gaan doen. Los gezien van de man-vrouwverhoudingen was de filosofische bevinding van Schwartz in haar algemeenheid even simpel als intrigerend: de vermeende voordelen van zulke apparaten kunnen alleen worden beoordeeld binnen de bredere sociale, economische en culturele context waarin ze worden gebruikt.

Misschien moeten we dus geen revolutie verwachten en kunnen we ons enthousiasme voor de vruchten van de productiviteitsverhogende technologie maar beter temperen. Hoe verleidelijk de gedachte ook mag zijn dat Google’s zelfrijdende auto’s ons in staat zullen stellen naar films te kijken in plaats van te rijden, waarschijnlijker is dat we ons in die nieuw verworven tijd zullen verdiepen in een slaapverwekkende spreadsheet. Mooie vooruitgang!

Evgeny Morozov, geboren in Wit-Rusland, is auteur van The Net Delusion: The Dark Side of Internet Freedom. Hij is nu gastdocent aan Stanford University.