Sinaasappelstromen

Duitsland; Germany , Bad Bentheim, Beek Bentheimer Wald; flushing brook in Germany. Foto: Han Bouwmeester/Buiten-Beeld/HH Han Bouwmeester/Buiten-Beeld/>

Terug naar eerder werk. Vorige week is besproken dat de lichtsnelheid al rond 1676 werd berekend en de geluidsnelheid rond 1705. Omstreeks 1850 werd dankzij waarnemingen aan rookpluimen ook wel zo’n beetje duidelijk hoe snel de wind waait.

Het lag in de bedoeling het stukje te eindigen met de opmerking dat het daarna nog minstens een eeuw zou duren voor er ook wat zicht kwam op de snelheid waarmee vogels vliegen, maar het kwam er niet van. Nog steeds geven tabellen vreemde waarden op. Voor postduiven kon je er altijd wel een slag naar slaan, maar voor gierzwaluwen is pas onlangs vastgesteld dat die wel 110 km/u halen.

De lichtsnelheid kon in 1676 worden afgeleid uit een soort knipperlicht effect dat door het Jupiter-maantje Io wordt opgewekt. Als de aarde hard richting Jupiter beweegt lijkt het maantje iets sneller om Jupiter te draaien dan-ie in werkelijkheid doet. Bewegen wij juist hard de andere kant op dan lijkt het minder snel te gaan.

Hierin schuilt niets mysterieus. Denk aan een persoon die naast een snel stromende beek staat en er elke minuut een sinaasappel in gooit. Een waarnemer stroomafwaarts ziet elke minuut een sinaasappel langs komen maar kan daaruit niet afleiden hoe snel de beek stroomt. Daar komt hij pas achter als hij merkt dat hij niet 60 maar 90 sinaasappelen per uur ontmoet als hij in wandeltempo (5 km/u) langs de beek stroomopwaarts gaat lopen. Dat is het idee. Kennis van de eigen beweging van de waarnemer is onmisbaar.

Wie zelf eens de lichtsnelheid wil bepalen moet de omwentelingssnelheid van Io meten, stond hier, en bovendien moet hij de straal van de aarde kennen. Nee, niet de straal van de aarde maar van de aardbaan, heeft lezer Arnout J. gepreciseerd, pas als je de grootte van de aardbaan kent kun je de snelheid van de aarde richting Jupiter berekenen. Daarin heeft hij natuurlijk gelijk, maar de opzet was aan te geven dat de grootte van de aardbaan omstreeks 1750 werd uitgedrukt in aardstralen, hoe zeg je dat, en dat dus inzicht in de straal van de aarde een onmisbaar gegeven was.

Onthutsend om te zien hoe op internet de essentie van Ole Rømers berekening aan de lichtsnelheid soms volkomen verkeerd wordt weergegeven. Bekijk het werk van de fysicus Michael Fowler van de University of Virginia.

Bij de AW-redactie groeit het verlangen om met behulp van een secuur peilkompas ook eens zelf de windsnelheid te meten. Vanuit het AW-labo is helder zicht op de pluim die meestal aan de schoorsteen van de Hemwegcentrale in Amsterdam hangt. Maar die schoorsteen blijkt met zijn 176 meter de hoogste van Nederland te zijn. Dat maakt het rekenwerk wat lastiger dan voor het geval waarin de waarnemer zich op dezelfde hoogte bevindt als de schoorsteenmond.

In het stukje (22 december) over de sprookjes van Grimm, die 200 jaar geleden voor het eerst werden gepubliceerd werd bepeinsd of er in de sprookjes niet veel meer expliciete aandacht was voor vrouwenberoepen dan voor mannenberoepen. In de voorbeelden van vrouwenberoepen was ook het weven opgenomen. Lezer Kees S. merkt op dat weven geen vrouwenwerk maar mannenwerk was. En daar kan hij wel eens gelijk in hebben: op foto’s uit de negentiende eeuw zie je uitsluitend mannen weven. Daar staat tegenover dat je op moderne foto’s, beginnend vanaf 1970 of zo, zonder uitzondering vrouwen achter het getouw aantreft. Maar dan is het meer kunstnijverheid geworden.

De verwarring was misschien ontstaan door de herinnering aan het lied van de vier weverkens die ter botermarkt zouden gaan. Bij nader inzien blijken die weverkens ook mannen te zijn.

Overigens was de strekking van het Grimm-stukje vooral dat de sprookjes zo stads aandoen, alsof de verteller geen flauw idee had van wat zich werkelijk op het platte land afspeelde (zoals dat natuurlijk nog veel erger is bij Andersen). Daar zijn verschillende voorbeelden van gegeven. Het lag ook nu weer in de bedoeling in dit verband vogels ter sprake te brengen maar die vielen alweer uit de boot.

In het kort is de AW-ergernis dat in al die sprookjes altijd het overbekende assortiment aan vogels wordt opgevoerd. Aan het roodborstje en de nachtegaal ontkom je nooit, grote roofvogels zijn zonder uitzondering haviken of adelaars (waarmee waarschijnlijk steenarenden worden bedoeld). En dan komt de hele karavaan aan eenden, ganzen, zwanen, kraaien en raven. Nooit eens een groenling, koperwiek, heggemus of boomkruiper, laat staan een groenpootruiter of sprinkhaanrietzanger. Weten zij veel, in de grote stad.

Het onderzoek naar de vraag of je van het drinken van alcoholvrij bier wel of niet een ‘drankkegel’ krijgt (15 december) heeft nog geen vervolg gekregen. De handicap van het uitgevoerde experiment was dat de meeste proefpersonen die bier mèt alcohol (5 procent) hadden gedronken ook niet ‘naar drank’ roken, althans niet naar het oordeel van de waarnemer die dat moest vaststellen.

Een enkele lezer klaagde over de schrale proefopzet: helemaal niet dubbelblind zoals het hoort. Terecht, maar de vooronderstelling was dat de verschillen zeer uitgesproken zouden zijn. Je bent gek als je onmiddellijk met 50 proefpersonen en 10 waarnemers van leer trekt. Maar inmiddels lijkt er niet aan te ontkomen.

Op 27 oktober is hier onder de noemer ‘afkoelingsparadox’ nagedacht over een denkbeeldig experiment waarbij aan een emmer warm water zoveel koud water werd toegevoegd dat het geheel, ongedwongen afkoelend, na verloop van tijd warmer zou zijn dan de aanvankelijk hoeveelheid warm water in zijn eentje zou zijn geweest. Er zijn condities denkbaar waarbij dat inderdaad gebeurt, hebben lezers laten zien. Maar daar gaat het nu niet om.

Waar het wel om gaat dat de AW-redactie er diep van overtuigd was met een volkomen origineel raadsel op de proppen te komen en later ontdekte dat dit niets anders was dan het koffie-met-koude-melk probleem in vermomming. Een persoon staat op het punt een scheut koude melk in zijn koffie te doen als hij voor een kort gesprek wordt weggeroepen. Zijn vraag is: is mijn koffie kouder als ik de melk er vóór het gesprek in doe of pas later.

Een overbekend probleem! En je hebt niets anders gedaan dan herformuleren en in verbazing vallen over de eigen originaliteit. De ontdekking van de vergissing is een aparte gewaarwording, die overigens, vreemd genoeg, niet echt onaangenaam is.