Pest zonder rat, zonder vlo

Geneeskunde

Voor een pestepidemie moeten er ratten in de stad zijn, wil de theorie. Maar in de praktijk kon de pest heel goed zonder ratten voort.

Olieverfschilderij van de historische schilder Rita Greer geeft een beeld van hoe een pestepidemie in de zeventiende eeuw Engeland teisterde. Foto rita greer

Zonder zwarte ratten en hun vlooien is er geen pest, zeggen de medische handboeken al meer dan vijftig jaar. Maar in Noorwegen, IJsland en Zweden stierven in de Middeleeuwen mensen aan de pest, terwijl er nauwelijks ratten waren.

Het standaardverhaal over de pestverspreiding klopt dus niet. In grote lijnen wel voor de late pestepidemie die rond 1900 in Azië rondwaarde, maar niet voor eerdere pestepidemieën, en voor die in koudere streken. Maar er zijn zelfs uit die epidemie aanwijzingen dat de pest zich zonder rattenvlooien kan verspreiden. En zwarte ratten zijn al helemaal onnodig. Maar die aanwijzingen zijn weggepoetst, zodat er één mooie pesttheorie overbleef.

Dat schrijven de Noorse archeoloog Anne Karin Hufthammer en fysioloog Lars Walløe in een deze week online verschenen artikel in het Journal of Archeological Science. Zij denken dat in de Scandinavische landen besmette mensenvlooien en luizen de belangrijkste verspreiders van de pestveroorzakende bacterie waren.

Hufthammer en Walløe keken de botvondsten na in meer dan 1600 opgravingen in Noorwegen. Hufthammer beheert die vondsten in het museum van Bergen. Ze beperkten zich tot de opgravingen waarbij meer dan honderd dierenbotjes zijn gevonden. Bij 19 van de 114 Middeleeuwse opgravingen zat ook rattenbot. En dat moet wel botmateriaal van de zwarte rat Rattus rattus zijn geweest, schrijven ze. De bruine rat Rattus norvegicus die er veel op lijkt was in de Middeleeuwen nog helemaal niet in Europa aanwezig. De zwarte rat was dus zeldzaam in Scandinavië – ze zijn alleen in een paar havensteden gevonden. Terwijl er tussen 1349 en 1654 26 pestepidemieën in het huidige Noorwegen en Zweden zijn beschreven. Ook op het platteland, waar geen zwarte ratten leefden. Ook op het in de Middeleeuwen rattenvrije IJsland sloeg wel de pest toe.

Andere ziekte

Beide Noren mengen zich met hun onderzoek in een discussie over de pestgeschiedenis die als een veenbrand woedt onder historici en medici. Die kwam tien jaar gelden aan het oppervlakte, toen Samuel Cohn, geschiedenishoogleraar aan de universiteit van Glasgow, concludeerde dat de Zwarte Dood in de Middeleeuwen helemaal geen pest was. En in ieder geval een andere ziekte dan de pest die aan het eind van de negentiende eeuw in Hongkong uitbrak. Cohn schreef er een boek over: The Black Death Transformed. En in hetzelfde jaar (2002) een artikel in het tijdschrift The American Historical Review (2002) met een nog pregnantere titel: The Black Death: end of a paradigm. Sindsdien is het hommeles in de pestwereld.

Waar iedereen het wel over eens is, is dat in 1894 in Hongkong een pestepidemie uitbrak. Die epidemie kwam ergens uit China, breidde zich de jaren erna uit naar het westen en trof India hard.

Pestpatiënten krijgen kenmerkende bulten in hun oksels. Het zijn opgezette lymfeklieren die uiteindelijk etterend openspringen. Dat is de builenpest, waar zonder behandeling ongeveer de helft van de patiënten aan overlijdt. Zeldzamer is longpest, een longontsteking door de pestbacterie, waarbij de patiënt door hoesten en niezen andere mensen kan besmetten.

Bij het begin van die Aziatische epidemie ontdekte Alexandre Yersin de ziekteverwekkende bacterie, die de naam Yersina pestis kreeg.

En kort na 1900 ontstond het klassieke verspreidingsmodel. De zwarte rat (Rattus rattus) en zijn rattenvlo (Xenopsylla cheopsis) spelen de sleutelrol. De vlo raakt besmet met de bacterie na een bloedmaaltijd bij een besmet knaagdier. Er zijn veel kleine knaagdieren die met de pestbacterie besmet kunnen zijn. Ook nu is die besmetting in delen van Amerika, Azië en Afrika nog aanwezig, maar meestal hebben die diertjes geen contact met mensen.

De theorie wil dat een pestepidemie onder mensen pas kan ontstaan als besmette vlooien op zwarte ratten overspringen. Die leven in de buurt van mensen. De ratten worden ziek en als ze bloedend bezwijken, zoeken de rattenvlooien een goed heenkomen (als spreekwoordelijke ratten die het zinkende schip verlaten). Ze vinden soms een mens, want daar was de rat bij in de buurt, bijten voor een bloedmaaltijd en bezorgen hun nieuwe gastheren de pest. Op die manier (rat besmet, ziek, stervend, besmette vlooien gaan op stap) breidt een pestepidemie zich langzaam uit, met een snelheid van 12 tot 15 kilometer per jaar. In India, rond 1900, ging het vaak zo. Wel kon de epidemie zich uitzaaien – over grote afstanden verplaatsen. Niet doordat besmette mensen zich verplaatsten, was het idee, maar als besmette ratten en hun vlooien met mensen meeliftten. In schepen of treinwagons.

Dat is het geaccepteerde verspreidingsmodel. Tussen 1900 en 1910 was daar wel twijfel over, schrijven Hufthammer en Walløe in hun artikel. Het was duidelijk dat ook andere vlooiensoorten besmet konden zijn. ‘Maar de zwakke kanten van de hypothese waren snel vergeten’, schrijven ze, ‘wat ook wel begrijpelijk is als we ons realiseren dat de artsen en epidemiologen die daar in India en omringende landen werkten een grote en zich uitbreidende epidemie moesten bestrijden.’

Na de Eerste Wereldoorlog verscheen dit pestverspreidingsmodel als enige waarheid voor álle pest – in welke tijd dan ook, en waar ook ter wereld – in de documenten van de gezondheidsorganisatie van de Volkerenbond, de voorloper van de Wereldgezondheidsorganisatie van de Verenigde Naties.

Hufthammer en Walløe noemen het in 1953 verschenen boek The Conquest of Plague van de Britse bacterioloog Fabian Hirst de veelgeprezen bron waar alle moderne historici zich op baseren als ze over de pest schrijven. Daarin lag het verspreidingsmodel met onmisbare zwarte rat en rattenvlo vastgebeiteld. De medici hebben hun handboeken, waarin de zwarterattheorie de enige is die de grote epidemieën verklaart.

Justiniaanse pest

Fout, aldus tegenwoordig dat door Samuel Cohn aangevoerde legertje critici. Lars Walløe verschilde vanaf het begin hartgrondig met Cohn van mening. In hun net uitgekomen artikel verwijzen Hufthammer en Walløe daarnaar. Lars Walløe heeft vastgesteld, in tegenstelling tot wat Cohn beweert, dat de schaars overgeleverde gedetailleerde beschrijvingen van Middeleeuwse pestpatiënten beslist wijzen op onbehandelde moderne builen- en longpest (Medical History Supplement, 2008).

Cohn heeft half gelijk, vinden Hufthammer en Walløe. Het was wél pest die in de Middeleeuwen als Zwarte Dood rondwaarde. En ook de Justiniaanse pest in het midden van de zevende eeuw moet al builenpest zijn geweest. Maar ratten en rattenvlooien waren er niet altijd bij betrokken. Hoogstens in de warmere klimaten. En de verspreiding ging ook vaak veel sneller dan de krap 15 kilometer per jaar die het oude zwarterattenmodel voorspelt.

Er is de afgelopen jaren DNA van de pestbacterie aangetoond in slachtoffers van de Justiniaanse pest en de Middeleeuwse Zwarte Dood. Ook Cohn kan daar niet meer omheen. Na het uitkomen van zijn boek in 2002 stelde hij zijn conclusies bij (Medical History Supplement, 2008). Oké, laat het Yersinia pestis zijn die al die vreselijke epidemieën in de geschiedenis veroorzaakte, maar hij blijft zijn tegenstanders uitdagen: verklaar dan eindelijk eens de verschillen in snelheid en besmettelijkheid van al die epidemieën, sputtert hij.

Hufthammer en Walløe weten dat ook niet. Ze halen wel microbiologisch werk aan waarin Yersinia-besmettingen van de rattenvlo, de mensenvlo (Pulex irritans) en de luis (Pediculus humanus humanus) zijn onderzocht. De slokdarm van de rattenvlo raakt 12 tot 16 dagen na een Yersinia-besmetting verstopt met een soort gel. Die blokkade maakt hem extreem hongerig. In de paar dagen die hem nog resten, bijt hij daarom heel vaak, op zoek naar voedzaam bloed. Daardoor is hij erg besmettelijk. Luizen en mensenvlooien raken zelden ‘geblokkeerd’ door Yersinia. Ze zijn daardoor minder bijterig. Daarom kregen ze geen rol in pestepidemieën. Ze zijn dan misschien wel minder bijterig, werpen Hufthammer en Walløe nu tegen, maar ze leven veel langer dan de geblokkeerde rattenvlooien. En zijn daardoor misschien wel net zo gevaarlijk.