Pacifist van Indonesië tot Kosovo

Joop Vogt (1927) zag heil in GroenLinks, maar verloor zijn vertrouwen.

Joop Vogt Foto Eerste Kamer

De radicaal linkse Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) had ook een gematigd midden. Maar dat wilde niet zeggen dat de ‘centristen’ in de vaak doordravende PSP het minder nauw namen met de beginselen van de partij. Voorzitter en Eerste Kamerlid Joop Vogt, die voor Kerst op 85-jarige leeftijd overleed, was een exponent van de milde prinzipienreiter in het midden.

Binnen de PSP, waar een politieke discussie snel in een principiële breuk kon uitmonden, was Vogt vaak de wijzere man die de kampen tot bedaren probeerde te brengen. Maar Vogt kende wel zijn grenzen. Toen GroenLinks – fusiepartij van PSP, PPR en CPN – in 1999 de NAVO-bombardementen op Servië billijkte, was er voor hem zo’n grens bereikt. „Mijn vertrouwen in GroenLinks is tot 0 gedaald”, schreef Vogt.

Die pacifistische keuze, ook toen het ging om gewapende interventie ten gunste van de Kosovaren, was de reden waarom Vogt zich in 1958 bij de PSP had aangesloten. Dat GroenLinks daar pragmatischer mee omging, stuitte hem meer tegen de borst dan alle verhitte strategische debatten voordien over ‘eenheid van links’ en andere leerstelligheden. In die zin was Vogt een klassieke PSP’er. Die partij was in 1957 opgericht door daklozen uit christelijke, socialistische en vrijzinnige hoek die één ding gemeen hadden: hun keuze voor een ‘derde weg’ tussen Sovjet-Unie en Amerika en voor een 'socialisme zonder atoombom’.

Joop Vogt, in 1927 geboren in een sociaal-democratisch nest, voelde zich thuis. Volgens de jonge student Vogt was de steun van de PvdA aan de ‘politionele acties’ in Indonesië een onvergeeflijke breuk met het ‘gebroken geweertje’ geweest.

In de PSP was Vogt vooral in de tweede lijn actief. Hij was in 1964/65 partijvoorzitter. De PSP beleefde toen, door Provo en andere nieuwlinkse uitingen van de geboortegolf, een korte bloeiperiode. Toen dat succes wegebde, bleef Vogt bij de PSP. In 1977 – het jaar waarin de partij onder invloed van het kabinet-Den Uyl op één zetel na werd weggevaagd – werd hij lid van de Eerste Kamer. Hij maakte daar naam met de hardnekkigheid waarmee hij zich vastbeet in de zaak van Harm Dost, een Arnhemse hasjhandelaar die in Duitsland was veroordeeld tot tien jaar. Vogt bleef met een paar onderbrekingen senator tot 1991.

In datzelfde jaar begeleidde hij als laatste partijvoorzitter de PSP naar haar einde in GroenLinks. Opgaan in de PvdA, het interne debat begin jaren zeventig, was hem altijd te ver gegaan. Maar nu zag hij wel heil in een klein linkse fusie. Socialisme en pacifisme waren geen dogmata. Tegen De Waarheid, het orgaan van de eveneens gemarginaliseerde CPN zei hij in 1989: „Het belangrijkste is dat de economische machthebbers niet meer macht hebben dan de verkozen vertegenwoordigers”.

    • Hubert Smeets