Ontwerpers met nestdrang

Designers maken exotische vogelhuisjes. Maar voelen vogels zich er ook thuis?

„Dat was eens maar nooit meer!” Klaas Kuiken bedacht een mooi vogelhuisje en kreeg vervolgens een hele zwerm furieuze vogelaars op z’n dak. Hij werd zelfs beschuldigd van dierenmishandeling. In zijn terracotta vogelhuisje zou het veel te heet worden.

Kuiken besloot een vogelhuisje te bouwen toen hij een alarmerend krantenbericht had gelezen over het verdwijnen van de huismus. Mussen zitten het liefst onder en tussen dakpannen, maar omdat de pannen tegenwoordig hermetisch op elkaar sluiten, vinden ze daar geen plaats meer. Kuiken besloot een dakpan met geïntegreerd nestkastje te ontwerpen. Na de kritiek perfectioneerde hij, in samenwerking met Vogelbescherming Nederland, het dakpanhuisje. Het heeft nu „een uitstekend geventileerd interieur” – en een uitgebreide bijsluiter. Het dakpanhuisje moet niet in de volle zon op het zuiden worden geplaatst. Kuiken: „Ik ben productontwerper, geen vogelaar, maar de natuur gaat me weldegelijk aan het hart.”

Het vogelhuisje, als nest- of voederplek, inspireert ontwerpers tot de meest uiteenlopende, soms exotische en ook wel onhandige uitvoeringen. Er zijn opvouwbare huisjes uit plaatmateriaal, die plat in een envelop passen, betonnen nestkastjes, miniatuur kerkjes en moskeetjes met een invlieggat, vogelhuisjes vermomd als vaas of baksteen en aandoenlijke bouwwerkjes in de vorm van een villa of zelfs een caravan. Bijvoeren kan in een glazen doosje of op een porseleinen dinerbord.

Marcel Wanders’ Birdhouse voor Droog is het equivalent van een sterrenrestaurant voor kleine zangvogels, die kunnen er eten van een porseleinen dinerbord. „Het is zo gemaakt dat er geen grote vogels in terecht kunnen. Merels eten de eieren van zangvogeltjes, dus die wil je er niet bij hebben.” Het huisje stamt uit een project voor het Duitse landgoed Oranienbaum. „Vandaar het oranje dakje, dat oorspronkelijk was gedacht in hout met menie. Nu is het van kunststof. Iets minder leuk, maar beter houdbaar.”

Wie een designvogelhuisje wil ophangen in de tuin of het balkon, kan dat het beste nu doen. Vogels hebben tijd nodig om aan een huisje te wennen, zodat ze er vertrouwd mee zijn als ze gaan broeden. In de tussentijd is het huisje een schuilplaats tegen de kou. Hoe hun huisje eruit ziet, maakt de meeste vogels niks uit. „Al is het rood met witte stippen”, zegt Marieke Dijksman van Vogelbescherming Nederland. Wel zijn vogels veeleisend als het om afmeting en locatie gaat. Een pimpelmees wil bijvoorbeeld een invlieggat van 28 mm, de kuifmees een gat van 30 mm. Dijksman geeft design-commentaar en praktische tips: „Een nestkastje moet van binnen een beetje ruw zijn, zodat de jonge vogels in het voorjaar genoeg grip vinden om eruit te klauteren.” Daarmee zijn alle spekglad geglazuurde vogelhuisjes gediskwalificeerd. Ook moet er liefst een afdakje boven de ingang zitten, zodat de kuikens niet natregenen. Vogelhuisjes die verschillende vogelsoorten onder één dak willen onderbrengen, zijn volgens Dijksman niet realistisch. „Dat wordt knokken. Verschillende soorten willen minstens twee meter uit elkaar wonen.”

De Vogelflat van Usuals ging nu juist van het tegendeel uit. Deze hoogbouw voor vogels is een commentaar van Mirjam van der Lubbe en Niels van Eijk op de haperingen in onze multiculturele samenleving. „We wilden laten zien dat vogels wèl vredig kunnen samenleven”, zegt Van Eijk. „Er hangen inmiddels Vogelflats in verschillende delen van de wereld: en het werkt soms echt. Zonder burenruzies.”

Een behoorlijk vogelhuisje ontwerpen begint bij kennis verzamelen, weet inmiddels ook ontwerper Vincent Bos. Hij kwam erachter dat niet alleen het invlieggat uitmaakt, maar ook de binnenafmetingen en de windrichting. „Als je een kastje niet naar het noordoosten richt, gaan ze er niet in.” Bos’ Garden Elements met – ongeglazuurd – porseleinen nestkastje, en eventueel ook een voerplaats en windmolentje, zijn gemaakt voor mezen. Zijn ontwerp moet mensen bewuster maken van de natuur. „Het is een sierobject dat leven aantrekt, geweldig toch? Ik had zeven jonkies afgelopen jaar!”

    • Marianne van Dodewaard