‘Ik ben te fel, te kleurig’

Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau weet hoe de Nederlander zich voelt. ‘Op televisie zie ik wat er speelt.’

Paul Schnabel. „Toen ik vijftig werd, kreeg ik een Rado-horloge van mijn vrienden. Het is gemaakt van zwart keramiek uit ruimtesondes.”

Paul Schnabel (64), de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau zit tegenover me aan tafel in brasserie Dudok in Den Haag. Hij zegt dat ik me zorgen maak. De economische crisis heeft mij bereikt. Alles wordt duurder en een steeds groter deel van mijn inkomen gaat op aan wat hij ‘akelig vaste lasten’ noemt. Huur, zorgpremie, energierekening. Het wordt passen en meten en ik heb het gevoel dat mijn vrijheid van leven meer en meer wordt aangetast. Zo somber over mijn toekomst was ik nog nooit.

Mijn mening staat in het rapport ‘Burgerperspectieven 2013’, dat net voor de jaarwisseling verscheen. De recessie is al in 2008 begonnen, zegt Paul Schnabel, maar nu pas heeft de Nederlander voor het eerst het gevoel dat de neergang hem persoonlijk zal raken. „Mensen zitten in een fuik.” Hij zegt dat „iedereen” als een bezetene aan het sparen is geslagen. „Hypotheek aflossen, afbetalen, de schulden kleiner maken.” Verstandig, mompel ik schuldbewust. Maar dan is hij me al aan het vertellen hoe moeilijk het leven is voor eenoudergezinnen, allochtone families, alleenstaande moeders en dubbelmodale gezinnen.

Paul Schnabel is geen allochtoon, geen alleenstaande ouder en hij heeft ook geen dubbelmodaal gezin. Hij heeft geen partner, geen kinderen en woont in een koophuis in Utrecht. Hij weet zo precies hoe het zit bij anderen omdat hij daar al vijftien jaar onderzoek naar doet. Het Sociaal en Cultureel Planbureau polst voortdurend hoe geëmancipeerd, mantelzorgend en medemenselijk de Nederlander is. Elke week verschijnt er een rapport waarin met cijfers en grafieken de stand van het land wordt gemeten. Nederland uitgelegd aan de Nederlanders. Hij noemt nog wat cijfers. Nederland staat op de vijfde plaats van meest competitieve landen. „Na Zwitserland, Singapore, Finland en Zweden.” In de Europese Unie hebben we, na Luxemburg, de hoogste inkomens. En we zijn met slechts 31 gewerkte uren per week toch behoorlijk productief. Hij wil ermee zeggen: „Het gaat ook goed. We staan tussen de landen waarvan je nou niet zegt: wat gaat het dáár slecht.”

Dus Nederlanders moeten niet piepen?

Als er iets duidelijk is geworden in 2012, zegt hij, dan is het dit: mensen met een dubbelmodaal inkomen (rond de zestigduizend euro bruto) zijn niet rijk. Zij klaagden het hardst toen de zorgpremie inkomensafhankelijk dreigde te worden. Terecht, vindt Schnabel. „Elke maand twee, driehonderd euro extra betalen is met een middeninkomen niet op te brengen.”

Hij brengt zijn kennis met enig aplomb. Wat hij weet over ‘de Nederlander’ haalt hij uit vragenlijsten. Maar ontmoet hij ons wel eens in het echt?

Jazeker, zegt hij. Hij ziet ons op zijn lezingen in het land. En we komen bij hem thuis via de televisie. „Televisie is heel belangrijk. Ik kijk om me te amuseren, maar ook vakmatig, om te zien wat er speelt.”

Wat ziet hij dan?

„Ik zie hoe de televisie de omgangsvormen en gedragscodes bepaalt. Zo’n Johannes Rietsma uit de The voice of Holland. Hij begint met een fout vetkuifje en binnen een paar weken is hij omgestyled tot moderne bink. In datingshows zie ik dat jongens en meisjes sociaal gelijkwaardig zijn geworden. Jongens moeten nu ook aantrekkelijk zijn. Ze laten gedwee toe dat hun uiterlijk wordt gekeurd en beoordeeld door de meisjes. Dat was vroeger ondenkbaar.” Hij ziet de scheidslijnen tussen privé en publiek verdwijnen. „Dingen die onzichtbaar hoorden te zijn, komen nu op de buis. Zo interessant. Mensen die hun leven lang niet naar de tandarts durven, komen wel in een tandartskeet op het marktplein bij de televisietandarts met een draaiende camera. Jongeren die niet durven te vertellen dat ze homo zijn, laten het Arie Boomsma aan hun ouders vertellen.”

Zijn clubsandwich wordt op tafel gezet. Bruin brood?, vraagt Schnabel verbaasd. Vergissing. Schielijk wordt het bord verwisseld voor een met een witte sandwich. Ik zeg dat ik hem had ingeschat als bruinbroodeter. Hij leeft gezond, dat klopt, zegt hij. „Maar sommige dingen smaken lekkerder op wit.” Met zijn mes schuift hij de „onzinnige” chips naast de sandwich naar de zijkant van het bord. „Dit is een grote uitzondering”, zegt hij dan. Normaal luncht hij met een broodje kaas en een glas karnemelk achter zijn bureau. „Ik krijg altijd hetzelfde. Ik geloof dat ik in al die jaren nog nooit in de kantine ben geweest.” Hij en de ruim honderd medewerkers van het SCP zitten in het gebouw van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Patricia Paay

In april neemt hij afscheid als directeur. Ik vraag waarom. „Hoge Rijksfuncties doe je meestal maar een jaar of zeven, ik zit al op het dubbele.” En: „Ik werk al sinds 1969, na 44 jaar vind ik het welletjes.” Ineens schiet de belangrijkste reden voor zijn vertrek me te binnen. „U wordt 65. U gaat met pensioen.” Ik zeg dat hij er jonger uitziet. Hij glimlacht, gevleid. Hij heeft laatst een lezing gegeven, zegt hij, bij zijn eigen Rotary-club. „Ik liet plaatjes zien van hoe 65-jarigen er vijfenzestig jaar geleden uitzagen. Moe en afgeleefd. En direct daarna een recente foto van Patricia Paay.” Een leeftijdsgenootje.

„Ik zie er anders uit dan wordt verwacht van mensen met mijn positie .” Nu draagt hij een donkerblauw velours pak, glanzend zwarte lakschoenen, een gestreept overhemd, bij de knoopjes afgezet met een biesje met blauwe hartjes. „Ik ben altijd te fel en te kleurig. Dat zei mijn moeder altijd. Bloezen met een hoge kraag zijn eigenlijk niet meer in de mode. Ik vind het nog steeds mooi.” Hij krijgt er wel eens een opmerking over. Onlangs nog. Nee, hij zegt niet wie het zei. „Een grijzepakkenman. Hij zegt: ‘zo, zo, Schnabel, geen das om? Ik zeg: ‘En jij dan met je smoezelige jasje en je rafelige hemd’. Nee hoor, dat soort commentaar accepteer ik niet. Ga heen zeg.” Hij vraagt tegenwoordig bij openbare optredens wat de dresscode is. „Gewoon vooraf een belletje: hoe gaat dat bij jullie?”

Hij staat al jaren op plaats acht in de top 200 invloedrijkste Nederlanders die de Volkskrant jaarlijks opstelt. Naast SCP-directeur is hij ook universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht, tot voor kort columnist van NRC Handelsblad en Het Financieele Dagblad, plus nog een reeks bestuursfuncties (Shell, het Concertgebouw Orkest, Museum Boymans van Beuningen).

Zeker 150 mensen uit die top-200 kent Schnabel redelijk tot goed. „Ik ben op je-en-jij-basis met ze.” In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Quote 500, de lijst met rijkste Nederlanders. „Dat is een andere wereld. Daarvan ken ik bijna niemand.”

Kleine steekproef wie hij zoal kent.

Alexander Rinnooy Kan, jarenlang de nummer één op het Volkskrantlijstje, maar sinds hij geen SER-voorzitter meer is, gedaald naar de dertiende plaats.

In de loop der jaren zijn ze bevriend geraakt. Allebei dragen ze een Rado-horloge en ze zijn de enige twee leden van de Rado-club.

Joop van den Ende, cultureel ondernemer, nummer 64?

„Ik ken vooral zijn vrouw Janine. Ik zit met haar in de jury van de Johannes Vermeer Prijs, de belangrijkste staatsprijs voor de kunsten.”

Mark Rutte, minister-president. Staat niet in de ranglijst, want de regering is al het centrum van de macht.

„Ik ken hem al van voor hij premier werd. Maar als ik hem officieel moet aankondigen, zeg ik: ‘Meneer de minister-president, wat fijn dat u er bent’. En hij antwoordt dan: ‘Dank je wel Paul, hartstikke leuk om hier te zijn.’ Hij kan zich dat permitteren, dat is in die kringen gebruikelijk. En ik vind het prima dat hij me zo aanspreekt. ”

Hij zegt jij en u u. Ook al bent u een stuk ouder?

„Ja, maar hij is dan in functie. Ik hecht aan tradities, ik heb gevoel voor dat soort verhoudingen.”

U bent toch ook in functie?

„Jawel, maar bij mij ligt het toch anders. Ik ben voor mensen meer een ‘household name’. Ik geef veel lezingen, ik schrijf artikelen en columns onder mijn voor- en achternaam met een fotootje erbij. Daardoor denken mensen dat ze je persoonlijk kennen.”

Halve BN’er

Hij is, zegt hij, een halve BN’er. „Ik ben van veel markten thuis.” Hij kan meepraten over kunst, psychiatrie, emancipatie, abortus (hij deed er al in 1969 als student-assistent onderzoek naar), sociale zekerheid en de positie van minderheden. „Ik doe eigenlijk het minst met het vak waar ik het meest van houd. Kunstgeschiedenis.” Hij heeft, zegt hij, geen uitzonderlijke talenten, geen specialisatie of belangstellingsgebied. „Ik zeg altijd: ik denk, leer, praat en schrijf snel en ik heb een goed geheugen. Mijn specialiteit is dat ik generalist ben. Dan ben je tegenwoordig een uitzonderlijk soort wetenschapper.”

Het snelle, makkelijke spreken heeft hij van nature. „Ik kom uit een spraakzaam gezin.” Hij is de oudste van vier, met onder hem een broer en twee zussen. Zijn vader werkte bij Shell, zijn moeder had geleerd voor onderwijzeres. „Altijd strijd om het hoogste woord.” Maar zo één op één met hem aan tafel heeft hij iets gereserveerds. Verlegen, noemt hij het zelf. Dat is hij kwijt zodra hij op een podium staat. „Nooit zenuwachtig voor een belangrijke toespraak, geen plankenkoorts, niets.” Hij zet een paar punten op papier en verder praat hij voor de vuist weg. Hij glimlacht. „Oudere dames komen soms naar me toe om te zeggen dat ik zulk keurig Nederlands spreek. ‘U hebt zo’n heerlijke stem, ik zou wel de héle avond naar u kunnen luisteren.’”

Zijn stem is helder, zegt hij, maar draagt niet ver. Drie jaar geleden is hij op zangles gegaan, om zijn stem beter te leren moduleren. „Ik heb ontdekt dat ik een countertenor ben.” Een hoge, mannelijke zangstem. Hij heeft ook les van een countertenor. „Zo prachtig. Mijn oren horen hoe mooi hij het voorzingt, ik geniet van de klank, het ritme, de melodie. En dan doe ik mijn mond open in de volle overtuiging dat ik het precies zo na ga doen. Maar zo klinkt het helemáál niet.”

Hij begrijpt nu hoe het moet voelen om een verstandelijke handicap te hebben. Dat je weet dat anderen iets kunnen, dat voor jou niet is weggelegd. „Alles wat in een boek staat, kon ik altijd leren.” Maar na jaren les, kan hij nog steeds niet zingen. „Verschrikkelijk. Dat had ik nou zo graag gewild.”

    • Rinskje Koelewijn