Het belang van de patiënt

Nederland is een klein land met grote ziekenhuizen.

Vorig jaar waren zeker twaalf ziekenhuizen betrokken bij een fusie. Sommige door een aankondiging. Andere kregen na lang onderhandelen toestemming voor hun fusie van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), de concurrentiewaakhond. Zo daalt het aantal zelfstandige ziekenhuizen richting tachtig.

Waarom eigenlijk? Fusies en schaalvergroting in de semipublieke sector van zorgverleners, scholen (Amarantis) en woningcorporaties (Vestia) zijn terecht controversieel. Te veel debacles.

In economisch opzicht zijn Nederlandse ziekenhuizen „te groot”, schreef de denktank Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) vorig jaar bijna achteloos aan de kabinetsinformateurs.

De fusiedrift laat zich verklaren door een groeiend scala prikkels en overheidsacties zonder adequate tegenkrachten, van burgers en patiënten bijvoorbeeld. Schaalvergroting is ooit een logische bedrijfseconomische gedachte geweest. Ziekenhuizen zijn ongewone en complexe organisaties, niet alleen omdat de strijd om leven en dood dagelijks werk is. Daaraan leiding geven vergt soms meer dan bij een beursgenoteerde onderneming of ministerie. Ziekenhuizen behoren tot de grootste lokale werkgevers. Maar zij zijn ook kapitaalintensief: steeds duurdere machines en gewichtiger gebouwen, die rendabeler zijn naarmate meer patiënten over de vloer komen. Fusies zijn dan de ideale oplossing.

Het perspectief van ononderbroken groei (vergrijzing; wetenschappelijke doorbraken) voedt de fantasie van managers. Schaalvergroting en beloningsvergroting gaan bovendien meestal gelijk op.

De invoering van de Zorgverzekeringswet in 2006 heeft fusies een echte impuls gegeven. Eerst fuseerden de zorgverzekeraars zelf tot vier landelijke conglomeraten zonder dat de NMa ingreep. Ziekenhuizen volgden. De wet, die VVD-minister Hans Hoogervorst behendig door het parlement loodste, wijst zorgverzekeraars aan als de kosten- én kwaliteitsbewakers. Minister Edith Schippers (Volksgezondheid, VVD) heeft dat uitgangspunt vorig jaar vastgelegd in een convenant met ziekenhuizen en verzekeraars om kostengroei te beteugelen.

De verzekeraars hebben de nodige macht tegenover ziekenhuizen. Als zij minder zaken doen, komt een ziekenhuis geld tekort. De verzekeraars worden driester als kostenbewaker. Zij bepleiten minder spoedeisenden hulpposten. En: „Hier en daar vijftien ziekenhuizen wegkrassen” is „geen enkel probleem”, zei Wim van der Meeren, de invloedrijke topman van zorgverzekeraar CZ, vorig jaar.

En de burger? Waar staat hij als patiënt of familielid? Zijn belangen worden deels veronachtzaamd. De concentratie op groei en schaalgrootte leidt gemakkelijk tot gebrek aan concentratie (zoals de fatale Klebsiella bacterie in het Maasstad Ziekenhuis) of tot concentratie op overbodige doelen zoals marketing (patiënten filmen zonder hun toestemming in het VU ziekenhuis).

Zorgverzekeraars zeggen: wij stimuleren ziekenhuizen tot betere kwaliteit door normen te stellen voor een minimaal aantal verrichtingen. Kwantiteit steunt kwaliteit, is kort gezegd het credo. Dat brengt ziekenhuizen in krimpregio’s, zoals De Sionsberg in Dokkum, in problemen. Te weinig patiënten om de norm te halen. Dus: fusies en sluiting van afdelingen. In de Randstad is het omgekeerd: mensen genoeg, maar te veel ziekenhuizen die hetzelfde doen met alle dubbele kosten van dien.

Voor burgers zijn fusies alleen acceptabel als zij hun kansen verbeteren. Keer de ‘bewijslast’ maar om: alleen fusies bij aantoonbaar patiëntenbelang. Schaalvergroting is vervolgens alleen een optie als de fusiepartners harde keuzes maken en hun specialismen verdelen. De tijd dat iedereen alles kan blijven doen is voorbij. De specialisatie die ziekenhuizen, zorgverzekeraars én het ministerie nastreven, leidt in delen van het land tot langere afstanden voor patiënten en bezoekers. Dat moet de burger ervoor over hebben, is de argumentatie. Maar ook het op en neer reizen van patiënten en familie kent grenzen.

De burger is niet gediend bij fusiegiganten. Hij verdient onopvallend geleide, adequaat verzorgende ziekenhuizen, waar specialisten samenwerken, hun beperkingen kennen en patiënten voor complexe zorg verwijzen naar bijvoorbeeld universiteitsziekenhuizen.