De jacht leidt alleen maar tot excessen

Moet er in Nederland nog wel worden gejaagd? De Partij voor de Dieren wil de jacht in ons land helemaal afschaffen. Het zal eens tijd worden ook, vindt Daan Remmerts de Vries. Volgens hem roept het jagen buitensporigheden op, zoals alle vormen van een teveel aan macht. „Waar geweren worden rondgedragen, daar wil geschoten worden.”

Illustratie Daan Remmerts de Vries

Bij Feanwâlden in Friesland is op Oudejaarsdag een wandelaar in het gezicht getroffen door enkele fragmenten hagel. Een incident, natuurlijk. Maar wel een van de vele incidenten waar het jagers betrof.

Ongeveer 29.000 officiële jachtaktes zijn er hier, in Holland, uitgegeven. Dit betekent dat de eigenaren zich zowel schriftelijk als proefondervindelijk waardig hebben betoond om buiten rond te lopen met een geweer. Ze moeten gehoorzamen aan regels.

Drijfjachten op ‘grofwild’, om maar iets te noemen, mogen hier niet worden gehouden. Wel mag men, in bepaalde perioden van het jaar, schieten op hazen, konijnen, fazanten, houtduiven en wilde eenden. Verder worden er ontheffingen gegeven voor onder andere edelherten, wilde zwijnen, vossen, eksters, reeën, roeken, wezels en boommarters (dit wordt per provincie bepaald), en bovendien mag er gejaagd worden op ‘schadelijk’ wild, en daaronder rekent men onder andere nijlganzen, muskusratten, wasberen en mollen.

‘Regulering’ heet dit alles.

Maar er moet wel degelijk onderscheid in worden gemaakt. Want het vangen van muskusratten is wezenlijk iets anders dan het schieten van een fazant.

Moet er, om te beginnen, überhaupt nog gejaagd worden in Nederland?

Marianne Thieme, van de Partij voor de Dieren, heeft een voorstel ingediend voor wijziging van artikel 32 van de Flora- en Faunawet. Zij wil de plezierjacht afschaffen. „Geen enkel dier,” zo stelt ze, „mag in Nederland meer voor de lol worden bejaagd.”

Het zal eens tijd worden ook! Want laat dit duidelijk zijn: dieren hebben het hier moeilijk – omdat er overal mensen zijn.

In midden-Friesland, bij het huis van mijn ouders, verscheen er enkele jaren geleden een vos. Die vos moet een helse weg hebben afgelegd. Overstekend over drukke wegen. Zwervend langs vele tuinen met honden. Soms beschoten, soms laverend langs dorpskernen; om dan eindelijk dat ongerepte stuk te bereiken waar mijn ouders verblijven.

Maar ook hier werd hij opgemerkt. En onmiddellijk waren er mensen die zich zorgen maakten om hun kippen, over de weidevogels of zelfs over hun kinderen. Hondsdolheid! Schurft! Die vos was al na vier weken verdwenen. Misschien verder getrokken – maar waarschijnlijk in stilte te pakken genomen door een jager.

Ik ben me ervan bewust dat ik me met dit bovenstaande voorbeeld bevind op twee schijnbaar verschillende terreinen: dat van de gecontroleerde jacht, en dat van de stroperij. Schijnbaar verschillend, want, al zal elke jager verontwaardigd roepen dat de ‘eerlijke’ jacht nooit zal leiden tot het schieten van wettelijk beschermde dieren, de realiteit blijkt volkomen anders. Waar geweren worden rondgedragen, daar wil geschoten worden.

In Friesland zijn er afgelopen jaar al ettelijke honderden roofvogels neergeschoten en zijn er meer dan tweehonderd roofvogelnesten opzettelijk vernield. Rondom sommige dorpen vindt er dan ook een verhitte strijd plaats tussen vogelbeschermers en tussen (illegale) jagers.

De jagers zijn van mening dat ‘die roofvogels’ de weidevogels bedreigen. Dat die predatoren nuttig zijn, en zelfs noodzakelijk in het grote ecosysteem, (ze vangen, om maar iets te noemen, toch ook erg veel muizen en ratten) is hier geen argument. Want eigenlijk vindt deze tamelijk primitieve haat (en iets anders kun je het niet noemen) zijn grondslag in dat rare gevoel van oppermacht, dat je nou eenmaal krijgt als je een geweer in handen hebt; dat gevoel dat wij, met onze geavanceerde wapens, het voor het zeggen hebben, en niet de dieren. En vooral niet die (andere) predatoren.

Jacht leidt, zoals alle vormen van een teveel aan macht, tot excessen. Veel jagers haten eenvoudigweg de dieren die ze be schouwen als concurrenten (oftewel: de medepredatoren), het aloude gevoel overheerst dat dit de bad guys zijn. Meer dan tachtig procent van de roofvogels in dit land schijnt dan ook hagel in het lijf te hebben.

Iedere jager zal zich verder voorbeelden kunnen herinneren van ‘incidenten’. Voorbeelden van aangeschoten dieren. Voorbeelden van beschermde soorten die, niet als zodanig herkend, werden neergehaald. Voorbeelden van jagers die toch maar even, buiten het seizoen, een ree gingen stropen.

Het is misschien logisch dat dit gebeurt, maar het is een aanslag op de natuur, in een land waar de natuur overal onder de voet dreigt te worden gelopen.

Uit een peiling is dan ook gebleken dat driekwart van de bevolking zich uitspreekt tegen de plezierjacht. En daarom zeggen ook VVD, CDA, D66 en Groen Links hiertegen te zijn.

Als meest schokkende tijdsverschijnsel – werkelijk een exces – bestaat er bovendien het jachttoerisme. Want wordt men hier aan een teveel aan regels onderworpen, wordt men voortdurend gehinderd door de woedende uitlatingen van natuurliefhebbers, of vindt men dat er te weinig eer valt te behalen in het verschalken van een haas of eend (of buizerd!), dan kun je uitwijken naar Botswana of Zuid-Afrika. In dat soort landen valt er nog wat te veroveren! En er wordt driftig reclame voor gemaakt, in tijdschriften en op het net: ‘Onze leeuwenjachten zijn de mooiste vader-zoon-ervaring’.

Klik de sites maar aan: foto’s van dikke mannen, met Rambo-moddervegen over het gezicht, zittend op een net geschoten mannetjesleeuw. Of, nog griezeliger, van een echtpaar, arm in arm, boven hun levenloze grote koedoebok. Of, nóg onwezenlijker, van een gezin rondom de giraf die papa en mama zojuist hebben vermoord.

Heeft papa goed geboerd? Dan gaan we nu gezellig met z’n allen een zeldzaam groot beest neerknallen...

En dit is dan ook een van de meest perverse uitwassen van de jacht: hoe zeldzamer een dier geworden is, hoe gretiger bepaalde mensen dit gaan neerschieten.

Ook voor deze praktijken tracht de Partij voor de Dieren een wetmatig stokje te steken. Verbieden, die advertenties. Dan komen veel mensen tenminste niet op het idee om iets dergelijks te gaan doen.

Ook het WWF heeft zich hiertegen uitgesproken – behalve als de lokale bevolking kan meedelen in de winst en de jacht streng wordt gecontroleerd en ‘humaan en professioneel’ plaatsvindt.

Professioneel? Humaan? Gecontroleerd? Ooit zag ik op tv hoe een man ‘s nachts in een Afrikaans land een luipaard mocht gaan schieten. Die luipaard was al eerder opgespoord door gidsen, de jager hoefde er enkel naartoe te worden gereden. Ik zag hoe het schot werd gelost, en daarna in zoeklicht de neervallende, stuiptrekkende grote kat. En vervolgens gebeurde iets onverwachts: een tweede luipaard dook op, waarschijnlijk de partner van het juist gevelde mannetje.

De jager bedacht zich geen moment; hij vuurde opnieuw. Stralend stond hij even later boven zijn koppel moorden; waarvan een foto werd gemaakt, voor in de eetkamer in Florida.

Criminelen moeten altijd opscheppen over hun daden.

Dit laatste mag dan geen bij uitstek Nederlands verschijnsel zijn, maar het toont aan waartoe de jacht kan leiden. En wat is dit in godsnaam toch voor ‘lol’?

De wetenschap heeft intussen overtuigend aangetoond dat de meeste dieren, en zeker vogels en zoogdieren, wel degelijk gevoelens hebben. Dat het geen klakkeloos reagerende, machinale wezens zijn, maar individuen met een eigen karakter, een eigen taal, zelfs een eigen cultuur. En toch zal geen jager zichzelf zien als een slecht mens. Want jagen, zal iedere jager zichzelf voorhouden, is een oeroud instinct.

Inderdaad, dat is het. Oeroud en volkomen uit de tijd. En niet te vergelijken met wat jacht ooit was. Want tegenwoordig maakt men gebruik van telescoopvizieren, van infraroodkijkers, van walkietalkies en terreinwagens.

En die regulering?

Ook hier roepen de jagers om het hardst dat zonder hen het ‘schadelijk wild’ al gauw de overhand zou nemen. Dat ‘de vos’ de grondbroeders zou uitroeien. Echter, wie controleert al die jagers?

Er bestaat een cartoon van Peter van Straaten waarin een man ergens in een bos met geheven armen naar een jager komt gelopen. „Stop!” roept die man. „Niet meer schieten! Het evenwicht is zojuist hersteld!”

Met andere woorden: wie kan er zeggen dat met het neerschieten van een boommarter of roek een evenwicht wordt hersteld?

Het antwoord is natuurlijk dat het niet te controleren is. En in de meeste gevallen zijn die kreten over regulering dan ook slechts pogingen om het geweten te sussen. Want het is inmiddels wel bewezen dat in ieder geval de plezierjacht onnodig is. Vossen, om maar even bij deze eeuwige zondebokken te blijven, hebben territoria. Wordt de een weggeschoten, dan zal er meestal een volgende voor in de plaats komen.

Ik hoop dan ook het voorstel van Marianne Thieme wet zal worden. Dat het eindelijk afgelopen zal zijn in het drukbelopen Nederland met het particuliere prijsschieten op de laatste resten wild die we hebben. Dat eindelijk, eindelijk het inzicht zal blijken te zijn doorgedrongen dat moorden op zich geen leuke hobby is, maar een trieste en verworden bezigheid.

Toen mijn vader vijftien was,ging hij een keer mee met een jager. En al spoedig, zo vertelde hij me, zagen ze een houtduif, zittend in een boom. Mijn vader kreeg de eer, hij schoot.

„Ik zag die duif schokken,” zei mijn vader, „en er vlogen wat losse veren. En toen viel hij voorover. Ik dacht dat hij in het gras zou smakken, maar op het laatste ogenblik spreidde hij zijn vleugels uit, en laag over de grond zeilde hij weg. Aangeschoten, zeker, maar nog wel in staat om weg te zweven.”

Mijn vader was er misselijk van geweest, zei hij.

Daan Remmerts de Vries is illustrator en schrijver.