De graffitiverf droop op het mozaïek

Hotel Britannia is half gesloopt, maar wat doet Vlissingen met de 120 meter kunst van Van Roode?

Voor sommig erfgoed is maar moeilijk liefde te voelen. Aan de Vlissingse boulevard, waar de hotels en restaurants de afgelopen weken gloeiden van de lampjes en kerstversiering, staat één pand er kaal en donker bij. Het is het oude Britannia Hotel, dat bij zijn feestelijke opening in 1955 landelijk nieuws was.

Toen was het strakke grand hôtel een teken van de Wederopbouw, het modernisme dat korte metten maakte met het nostalgische pluche van vroeger. Britannia was ontworpen door de betonminnende architect Joost Boks en versierd met een spectaculair kunstwerk: een semi-abstract mozaïek van Louis van Roode, dat als fries vanaf de buitengevel doorliep, het restaurant in.

In 2013 is het pand half afgebroken. De hoteltoren is gesloopt, het restaurantpaviljoen dichtgetimmerd en inmiddels afgebladderd en overwoekerd door onkruid. Weinig passanten zullen in deze bouwval een waardevol monument herkennen. Restanten van het ooit bejubelde kunstwerk steken bleekjes door beplatingen met graffiti heen.

Toch was dit mozaïek van 120 meter lange tijd de ultieme finishing touch voor Boks’ architectuuresthetiek van lange verdiepingen met veel glas; de chique glamour van het understatement. Maar in de jaren negentig ging het met de horeca zo slecht, dat Britannia de deuren sloot.

In 2004 gaf de gemeente een sloopvergunning af, met één voorbehoud: het resterende mozaïek moest behouden blijven.

Daar begonnen de problemen, stelt Willem Heijbroek van erfgoedvereniging Heemschut. Nadat de sloopvergunning was verleend, schakelde Heemschut de Raad voor Cultuur in. Die adviseerde om het geheel als Rijksmonument op te nemen – hotel en paviljoen inclusief kunstwerken. „Maar de Rijksdienst Cultureel Erfgoed wilde daar niet aan”, zegt Heijbroek. „Wij lobbyden verder en kregen Britannia op de Werelderfgoedlijst van Docomomo, een internationale organisatie voor de conservering van architectuur.”

De gemeente zegde restauratie van het paviljoen aan Heemschut toe, maar volgens Heijbroek begon in 2010 na politiek gekissebis en gedoe rond eigendomsrecht de sloop van het hoteldeel „onaangekondigd en onvakkundig”. De plaatselijke fans sprongen letterlijk tussen de sloopmachines en het mozaïek. De politiek legde de sloop stil. De schade werd opgemaakt, het resterende fries in veiligheid gebracht. Wat nu?

Heijbroek hoopt op herplaatsing in het paviljoen, zeker nu het mozaïekrestant daar ter plekke gerestaureerd is door een Spaanse expert, die zei dat het mooier was dan werk van Gaudí. Maar herplaatsing is lastig. Burgerlobby’s spelen vaak een beslissende rol. Er bestaan geen subsidiepotjes voor, maar wel voor nieuwe projecten zoals het graffitiproject op de betimmeringen van het leegstaande Britannia, zegt Heijbroek. „Die verf droop op het mozaïek, dat ook te lijden had van brandweeroefeningen in het leegstaande hotel.”

Dat het mozaïek dit redelijk doorstond, komt vermoedelijk door de ingenieuze fabricage. Toen Van Roode en Boks destijds hun plan rond hadden, ging de kunstenaar vijftien keramiekfabrieken langs – die het allemaal te ingewikkeld en kostbaar noemden. „Dan ga ik het zelf maken”, zei Van Roode die een lange barak inrichtte met twee keramiekovens. Het plateel moest tegen vorst en zilte zee bestand zijn en dat lukte – onderzoeksbureau TNO testte de duurzaamheid. Bovendien presteerde Van Roode het om zestig kleuren te bakken, alles behalve mooi oranje: „Je hebt er uraan-oxyde voor nodig. Dat gebruiken ze tegenwoordig voor atoombommen.”

Zo bakte hij 120 meter kunst. ‘De meisjes van Van Roode’, de jonge vrouwen met wie de kunstenaar ook na werktijd graag tijd doorbracht, verwerkten 5.000 kilo klei tot een fries van gestileerde zeewezens – decoratief, geschikt voor een badplaats. Filosoof Siebe Thissen, die onderzoek naar Van Roode heeft gedaan, vermoedt dat er meer achter zit. „Niemand heeft Van Roode ooit begrepen. Nadat hij zich van het leven had beroofd, zei kunsthistoricus en tv-presentator Pierre Janssen dat met hem een tijdperk verdween. Welk tijdperk dat was? Ik vermoed dat hij een brug sloeg naar de vooroorlogse zoektocht naar het ‘al-ene’, een fundamentele waarheid waar de zichtbare werkelijkheid uit voort zou vloeien.”

Misschien werd zijn beeldtaal verward met het decoratieve optimisme van de naoorlogse monumentale wandkunst. Gestileerde harmonieën van natuur en cultuur sloten aan bij het politieke optimisme en denkbeelden over gemeenschappelijkheid. Toch is dat iets anders dan mystiek-filosofische zoektochten naar het gedeelde van de mens.

Wie wil proberen Van Roode te begrijpen, moet opschieten. Zijn erfenis slinkt en de toekomst van het Vlissingse fries is onbekend, al heeft Heijbroek goed nieuws voor de liefhebber: Heemschut heeft nog een belangrijk mozaïek staan, gered uit het vroegere FOM (Fundamenteel Onderzoek der Materie) waar Van Roode filosofische verwantschap voelde met de pionierende kernfysica. Wie een kraan heeft, en 12.000 euro voor de restauratie, mag dit sleutelwerk meenemen. Is dat alvast gered.

    • Sandra Smets