Brieven

Wet tegen adoptie is niet in het belang van het kind

Amerikaanse ouders kunnen geen Russische kinderen meer adopteren (NRC Handelsblad, 29 december). Al enkele jaren bestaat daar tegen in Rusland veel bezwaar. Politieke motieven en nationale trots maken er voorlopig een eind aan. „De kinderen zullen hier [in een kindertehuis, RH] niet slechter af zijn”, volgens politicus Sergej Anisimov.

In het begin van deze eeuw werden wel vijfduizend Russische kinderen geadopteerd door Amerikaanse gezinnen. Tot dit jaar zijn in totaal 62.000 Russische kinderen verhuisd naar Amerika.

Toch past deze nieuwe maatregel in een wereldwijde trend. Het aantal adoptiekinderen in Europa en Amerika daalt vanaf 2005 met 35 procent. In Nederland is die daling nog sterker. Zagen we in 2004 nog ruim 1.300 adoptiekinderen, in 2012 zullen het er misschien nog 450 zijn. Het aantal verzoeken om een kind te adopteren is nog maar eenvijfde van tien jaar geleden.

Steeds meer zendende landen besluiten hun kinderen te laten adopteren in het land zelf. Hopelijk gebeurt dit ook in Rusland. Voor een kind dat niet in de eigen familie kan opgroeien, is plaatsing in een ander gezin verre te prefereren boven een kindertehuis.

Ook doet de economische crisis steeds meer ongewenst kinderloze mensen in ons land aarzelen om te adopteren. De kosten bedragen zo’n 15.000 tot 50.000 euro. Ik blijf het vreemd vinden dat landen geld ontvangen voor een kind dat verder elders zal opgroeien. De voorbije jaren waren dit vaak kinderen die extra zorg behoeven. Zendende landen zouden geld mee moeten geven.

Het is te betreuren dat kinderen worden ‘bestraft’ om overwegingen als nationale trots, financiële praktijken en onjuiste opvattingen over wat een kind nodig heeft. Velen van hen zullen voor hun achttiende hemelen. In Amerikaanse gezinnen zijn ze vrijwel altijd beter af.

René Hoksbergen

Emeritus hoogleraar adoptie, Soest

Maak oppas en tuinman fiscaal aftrekbaar

Vrouwen en de arbeidsmarkt vormen nog steeds geen ideale combinatie in Nederland. Met elk nieuw kabinet komen er nieuwe plannen. We bezuinigen op kinderopvang, hoewel we willen dat zo veel mogelijk vrouwen aan het werk gaan én blijven – ook omdat zij daarmee een bijdrage leveren aan onze economie en zelf een pensioen opbouwen.

Nog steeds werken te weinig vrouwen meer dan drie dagen per week. Dit fenomeen zit diep geworteld in onze cultuur, waarin het niet gebruikelijk is dat beide ouders werken en vrouwen financieel onafhankelijk zijn. Nederland vergrijst, het opbouwen van al onze pensioenen wordt steeds duurder en moet gedragen worden door steeds minder mensen, vooral mannen.

Laten we ophouden met subsidies op kinderopvang en kinderbijslag. Geef vrouwen een andere financiële prikkel: maak kosten aftrekbaar! Vrouwen die willen blijven werken, zullen het een en ander moeten regelen – zoals een huishoudelijke hulp, kinderopvang of een oppas, een tuinman, een glazenwasser...

Deze diensten zijn duur. Vrouwen moeten van hun nettosalaris een bruto-uurloon betalen. Om duizend euro aan kinderopvang en andere hulp uit te kunnen geven, moet je bijna tweeduizend euro verdiend hebben. En met die duizend euro kun je iemand maar voor ruim vijfhonderd euro netto inzetten.

Daarom moeten we de kosten voor alle diensten die werkende ouders nodig hebben, aftrekbaar maken van het bruto-inkomen. Dit biedt meer werk aan mensen in kinderopvang, tuinonderhoud en huishouden. Ook motiveert dit om ‘wit’ te werken.

Bezuinigen is pas zinvol als je de financiële ruimte die je daarmee creëert, inzet voor nieuwe mogelijkheden. Bezuinigen moet niet een doel op zich zijn, maar een middel om te hervormen!

Meiny Prins

CEO van Priva en Zakenvrouw van het Jaar 2009

Elkaar niet verstaan is geen probleem in de EU

„Een federale staat zal nooit werken op het Europese continent”, schrijft Thierry Baudet (Opinie, 3 januari). „De verschillen zijn te groot.” En hij vat zijn argumenten samen: „Er is geen volk. We verstaan elkaar niet.”

Waar heeft die man het over? Friezen en Limburgers verstaan elkaar ook niet. Geen probleem voor de Nederlandse staat. De verschillende talen in Europa vormen geen belemmering om zaken met elkaar te doen of om langdurig bij elkaar over de vloer te komen. Bejaarden overwinteren in Spanje. Spanjaarden studeren hier. Onze kinderen gaan naar Frankrijk, Engeland, Duitsland om te studeren. Half Nederland trekt in de zomer naar Frankrijk, velen hebben er een eigen huisje. In de winter verstoppen we de Autobahnen naar Zuid-Duitsland en Oostenrijk. Nederlanders werken in al die landen en omgekeerd. De meesten van ons zouden daar zonder noemenswaardige problemen kunnen wonen. Mijn Franse vrienden denken net als mijn Nederlandse vrienden, al gaat het vaak over andere problemen.

Jos Collignon

Utrecht

De GPD deed niets lokaal

Hans Sonders vraagt zich in een reactie op mijn Hollands Dagboek af of ik niet een spade dieper had kunnen steken (Brieven, 31 december). Dat had gekund, maar dan was het een achtergrondverhaal of analyse geweest. Die schrijft de NRC-redactie zelf wel. Daarom ben ik blij dat Sonders zelf de spade ter hand neemt. Hij maakt daarbij overigens een denkfout. Dankzij de nationale en internationale berichtgeving door de GPD konden de regionale dagbladen zich concentreren op de regionale en plaatselijke verslaggeving. De perstafels in de vergaderzalen van (kleine) gemeenten zijn (of waren) nadrukkelijk het speelveld van die kranten. De GPD had daar niets te zoeken.

Jos Timmers

Oegstgeest