Column

Boos op de Badkuip

Over Nederland heeft The New York Times over het algemeen niet veel te melden. Op 19 mei 2007 haalde ons land de voorpagina. De nu legendarische gorilla Bokito had in Diergaarde Blijdorp de tralies van zijn kooi geforceerd en zich bij zijn menselijke verloofde gevoegd. Ze had er een paar gekneusde ribben aan overgehouden. Via de Times zijn we toen in de wereldpers terechtgekomen. Daarna hebben we het zeilmeisje Laura gehad, de orka Morgan die zich hier niet goed voelde en door dierenvrienden naar het zeepark van Tenerife is gebracht. En een paar weken geleden de tragische walvis Johannes, het reusachtige dier dat na zijn dood een vrouwtje bleek te zijn. Of dit drama op de Razende Bol de wereldpers heeft gehaald, weet ik niet, maar nationaal was het groter nieuws dan het uitlekken van de kersttoespraak van de koningin.

En nu zijn we dankzij The New York Times weer in de wereldpers, met de Badkuip, de nieuwe ingang van het Stedelijk Museum, ontworpen door Mels Crouwel. De architectuurcriticus van die krant, Michael Kimmelman, is op bezoek geweest en heeft vastgesteld dat er van dit zaakje hoegenaamd niets deugt. Een badkuip als entree van een museum. Hoe haal je het in je hersens! Die toon. Hij betreurt het ook dat de oude, majesteitelijke entree met de brede trappen naar de tweede rang is verschoven. Nog meer bittere klachten. Nadat ik zijn verwoestende artikel had gelezen en voor het eerst weer in lijn 5 langs het museum reed, verbaasde het me even dat het er nog stond.

Voor het Van Gogh museum had Kimmelman trouwens ook geen goed woord over. Dat monster, ontworpen door de Japanse architect Kisho Kurokawa, is ons door de Japanse sponsors door de strot gewurgd. En dan wordt de omgeving nog verder opgeleukt door die driehoekige heuvel waaronder een kruidenier zijn nering heeft gevestigd. Hij bedoelt het ezelsoor, filiaal van Albert Heijn. Ja, dat is geen mooie constructie. Maar als je de moeite neemt om naar de top te lopen, heb je een prachtig uitzicht over het hele Museumplein en de Van Baerlestraat. En als het gesneeuwd heeft, is het de beste, de veiligste plaats om sleetje te rijden. Zou Kimmelman dit de Amsterdamse jeugd willen afnemen?

Ik heb ook mijn diepe twijfel over de vernieuwing van het Stedelijk gehad. Het is begonnen met het ingooien van een ruit van de Sandbergvleugel door de wethouder van cultuur. Van die worp is in ieder geval een mooi schilderij gemaakt door een kunstenaar wiens naam ik binnenkort zal onthullen. Ik vind dat het in de collectie van het Stedelijk moet worden opgenomen. Dan dat eindeloze gedoe achter de afgedekte steigers, de aannemer Midreth die failliet ging, uitstel op uitstel terwijl ons al jaren tevoren koeien met gouden horens waren beloofd. En toen, wij Amsterdammers konden onze ogen niet geloven. De steigers werden afgebroken. Daar zagen we voor het eerst... de Badkuip!

Ik geef het toe, het was een hoogst ongebruikelijke aanblik. Op een mooie ochtend ben ik in de serre van Bodega Restaurant Keyzer gaan zitten om dit nieuwe stukje Amsterdam rustig op me te laten inwerken, en terwijl ik van het kokosmakroontje bij de koffie genoot, daagde langzaam mijn conclusie. Het is geslaagd, het is mooi. Niet in de gebruikelijke zin, maar het doet je ogen geen geweld aan. Integendeel. Dat oordeel werd door mijn gevoel van opluchting bevestigd. Kort daarna heb ik op uitnodiging van de museumautoriteiten een voorbezoek gebracht. Nog geen publiek, ik kon op mijn dooie gemak overal rondlopen. Zo kwam ik voor het eerst na jaren ook weer in The Beanery, die ouwe kroeg, een meesterwerk van Edward Kienholz uit 1965. Daar heb ik al eens een stukje over geschreven.

Aan alles wat nieuw is moet je wennen. Denk aan nieuwe schoenen. Ik herinner me het ogenblik waarop ik voor het eerst het Centre Pompidou in Parijs zag, een jaar of 35 geleden. Was dát een museum, met al die buisvormige gangen aan de buitenkant, al dat glas? Ik ging naar binnen, de grote hal in, nam de eerste roltrap en zag de daken van de stad. De tweede roltrap, nog meer daken, een ruimer horizon. Ik was niet meer van de roltrap af te slaan. Daarna van boven naar beneden zoveel mogelijk kunst gezien en ten slotte aan de overkant van het plein op een terras met andere ogen de schepping van de architect, Renzo Piano, bekeken. Bent u weleens in Nemo geweest, het Amsterdamse museum voor techniek en wetenschap? Dat ziet er ook niet ouderwets gebruikelijk uit, maar het is wel een succes.

Sinds de opening, een paar maanden geleden, heeft het Stedelijk een recordaantal bezoekers getrokken. Misschien komt dat ook wel door de Badkuip.