Minister Dijsselbloem waarschuwt weer: de banken gaan geld kosten

De miljarden die het kostte om banken te redden zouden wel terugkomen, was het idee. Maar minister Dijsselbloem lijkt niet langer zo optimistisch.

Het redden van Nederlands banken gaat geld kosten. Dat schreef minister Jeroen Dijsselbloem (Financiën, PvdA) gisteren aan de Tweede Kamer. Het is de tweede ‘winstwaarschuwing’ van de minister in korte tijd. Eerder zei hij al dat Nederland een deel van de leningen aan Griekenland niet terugbetaald zal krijgen.

„Mijn voorgangers hebben steeds kunnen zeggen: het geld verdient zich terug. Dat is niet meer zo. De komende jaren zal de balans negatief zijn, we leggen er geld op toe”, zo zei Dijsselbloem woensdag op een nieuwjaarsreceptie van zijn partij in Nijmegen.

Hoe kan het dat Dijsselbloem er anders over denkt dan zijn voorgangers Wouter Bos (PvdA) en Jan Kees de Jager (CDA)?

Allereerst zijn de omstandigheden veranderd. De staat heeft banken gekocht (ABN Amro, Fortis) en banken, en een verzekeraar, met kapitaalinjecties gesteund (Aegon, ING en SNS). Die injecties leveren geld op. Zo behaalde de staat op de inmiddels terugbetaalde lening van 3 miljard aan Aegon een rendement van 18,5 procent. Maar Aegon heeft zijn lening volledig terugbetaald, ING bijna en SNS ook voor een deel. Deze winsten zullen dus „de komende jaren opdrogen”, schrijft Dijsselbloem.

Maar de staat is voorlopig nog steeds eigenaar van ABN Amro en ASR (de voormalige verzekeringstak van Fortis). En dat eigendom kost geld, zo schreef Dijsselbloem gisteren aan de Kamer.

De staat leende 27,96 miljard euro om deze bedrijven te kopen, en betaalde over die lening tot nu toe 3,7 miljard aan rente. Daartegenover staan inkomsten uit dividend dat banken aan de aandeelhouder uitkeren. Maar die inkomsten zijn te laag.

De winst van banken wordt gedrukt door de economische crisis en de wettelijke verplichting grotere kapitaalbuffers aan te leggen. Die buffers zijn bedoeld om een nieuwe bankencrisis te voorkomen. Maar dat leidt er wel toe dat banken minder van hun geld kunnen uitlenen.

Het afgelopen jaar leidde de balans tussen rentelasten van de staat en dividendinkomsten tot een verlies van 193 miljoen euro. En minister Dijsselbloem verwacht niet dat dit de komende jaren beter wordt.

De weerstand tegen de bankensteun werd door de voorgangers van Dijsselbloem altijd mede bestreden door de verwachting uit te spreken dat de staat weinig of geen verlies zou leiden. De minister van Financiën geeft nu het omgekeerde signaal af, zoals hij bij Griekenland al deed.

Hadden de voorgangers van Dijsselbloem dit niet kunnen weten? Mogelijk. Maar zij gingen er ook steeds van uit dat ABN en de resten van Fortis later voor een goede prijs zouden kunnen worden doorverkocht. Dat zou eventuele verliezen van de aankoop moeten compenseren.

Dijsselbloem schrijft het niet met zoveel woorden in de Kamerbrief, maar impliciet lijkt de boodschap hier te zijn dat van een eventuele verkoop van de bankendeelnemingen niet te veel moet worden verwacht.

In 2011 dacht De Jager nog dat ABN Amro in 2014 alweer verkocht zou kunnen zijn. De toon van het huidige kabinet is heel anders, en het ambitieniveau duidelijk lager.

In het regeerakkoord staat: „ABN Amro kan pas terug naar de markt als de financiële sector stabiel is. Er moet voldoende interesse zijn in de markt, de onderneming moet er klaar voor zijn en zo veel mogelijk van de totale investering van de staat moet terugverdiend kunnen worden.”

Dijsselbloem zei in Nijmegen dit: „De Nederlandse bevolking is terecht zeer kritisch op de bankensector. Voor het kabinet is het een prioriteit om de bankensector uit de gevarenzone te krijgen. Dat gaat nog een paar jaar duren.”