Loyaal tot in de kamers van de ziel

Limburgse mijnwerkers zaten zes dagen onder de grond, en de zevende in de kerk. Ondanks de sluiting van de mijnen bleven ze vaak hechte vrienden. Hun leven en werk en de mijnengeschiedenis zijn nu grondig uitgespit.

Sjiek, sjiek – Proemesjiek/ Loat de breuj mar zauwele/ Proem sjiek – Et bakke diek/ ’n Koempelmoel mot knauwele. Een lofzang op de pruimtabak kauwende mijnwerker, afkomstig van de medio jaren zeventig in de Oostelijke Mijnstreek immens populaire lp ‘Witse nog, koempel’ van de groep Carboon. De mijnen waren nauwelijks gesloten of de weemoed naar de tijd van hard werken en kameraadschap werd al gecultiveerd.

Een nuchtere, meer afstandelijke kijk op de afgelopen decennia kon je van de voormalige mijnwerkers ook niet verwachten; enkele generaties mannen zaten zes dagen per week onder de grond (en de zevende dag in de kerk). Hun identiteit werd erdoor bepaald, dus romantiseerden ze dat leven.

Het omgekeerde is ook het geval: historici en onderzoekers die het mijnverleden onder de loep nemen zijn vaak (te) droog en kil. Het onlangs verschenen lijvige Mijnwerkers in Limburg. Een sociale geschiedenis staat bol van de tabellen, grafieken en kaarten. Samensteller Ad Knotter, hoogleraar in de vergelijkende regionale geschiedenis aan de Universiteit Maastricht, kiest voor een strikt academische benadering. Het op literatuur- en bronnenonderzoek gebaseerde boek is gestructureerd rondom een aantal voor de hand liggende sociaal-economische begrippen, die uitvoerig worden onderbouwd met statistische gegevens en voetnoten – het eerste hoofdstuk alleen telt al ruim tweehonderd noten.

Die overgedetailleerdheid werkt vermoeiend; de onderzoekers maken nauwelijks onderscheid tussen hoofd- en bijzaken. Ook de schrijfstijl van de auteurs werkt niet mee aan de toegankelijkheid: ‘Bij Staatsmijnen maakte het geboortecohort 1921-1925, gelijk te stellen aan het intredecohort 1936-1940, zelfs 40 procent van de in 1970 nog werkzame ondergronders uit.’

Dat neemt niet weg dat de doorzetters een groot aantal interessante weetjes voorgeschoteld krijgen. Zo leren we dat het spraakgebruik in de Nederlandse mijnen oorspronkelijk Duits georiënteerd was, door de nauwe, grensoverschrijdende samenwerking tussen de bedrijven. Met als bekendste uitdrukking: Glück auf! (uit een Duits mijnwerkerslied). Mijnwerkers die in de schacht afdaalden, wensten elkaar zo een behouden terugkomst.

Interessant is ook de rol die de kerk in de beginperiode speelde. De clerus en de mijndirecties sloegen de handen ineen om ‘een hoge mate van godsdienstige kohesie’ te bewerkstelligen. De mijnen kregen honkvast personeel, de clerus kerkgebouwen. Samen zorgden ze voor huisvesting (koloniën, op loopafstand van de mijnen), gezondheidszorg, een bloeiend verenigingsleven en vooral dus loyaliteit. Hoe hoger de functie, hoe dichter de werknemer bij de mijn woonde. Een succesformule, waardoor in een halve eeuw tijd de steenkoolproductie flink werd verhoogd; begin jaren vijftig dekte steenkool ruim driekwart van de Nederlandse energiebehoefte.

De ontdekking van de aardgasbel in Slochteren betekende een ommekeer. Vanaf midden jaren ’60 verdween de mijnbouw langzaam uit Nederland; de laatste mijnen sloten in 1974.

Ziekteverzuim

Dat leverde spanningen op. Zo veel zelfs dat het ziekteverzuim in de laatste jaren opliep tot boven de 25 procent. Ter vergelijking: begin jaren vijftig schommelde dit cijfer nog rond de 7 procent. Maar er was meer aan de hand: de WAO werd in 1967 ingevoerd. Werknemers werden eerder ziek verklaard en zo de WAO in geloodst. In de jaren 1970-’74 was dit een populaire sluiproute.

Voor velen was het ook bittere noodzaak. Het jarenlange werken onder de grond leidde tot silicose, stoflongen. Bovendien bleef de door het rijk beloofde vervangende werkgelegenheid uit; elke arbeidsongeschikte betekende een werkloze minder. De gevolgen zijn nog altijd zichtbaar: Kerkrade, ooit een bloeiend middelpunt van de mijnbouw, is op dit moment een krimpgemeente met weinig sociaal-economisch perspectief.

Het sprekendste deel van het boek gaat over het leven rondom de mijn; de persoonlijke verhalen zijn soms navrant. ‘Bij ons in de kolonie hebben we altijd heel anders aangekeken tegen de bevolking van het centrum van Heerlen. Daar keken we als het ware tegen op.’ Dat minderwaardigheidsgevoel leidde wel tot verbroedering in de wijk: ‘’s Zondagsavond kwamen de kompels altijd bij elkaar. Bij mooi weer zaten ze buiten voor de deur of op het pleintje. Zo konden zij het uren volhouden, pratend over de mijn.’

Persoonlijke verhalen vertellen over het mijnverleden wil ook Wiel Kusters. Zijn boek In en onder het dorp. Mijnwerkersleven in Limburg verscheen samen met de dikke pil van Ad Knotter. Beide publicaties zijn geschreven in opdracht van ‘De Koempel verhaalt’, een stichting die sterk is verankerd in de (Limburgse) politiek – zowel rijk, provincie als talloze gemeenten betaalden mee. Kusters was als hoogleraar Nederlandse letterkunde verbonden aan de Universiteit Maastricht en publiceerde vooral als dichter en schrijver over het mijnverleden. Hij groeide op in een koempelfamilie in Spekholzerheide, een dorp dat indertijd grensde aan Kerkrade (en inmiddels is opgeslokt).

Dat Kusters trots is op zijn wortels weten we al sinds zijn debuut als dichter in 1978. Zijn hele literaire carrière komt in In en onder het dorp min of meer aan de orde; de hoofdstukken worden opgesierd met citaten en gedichten uit eigen werk. Dat geeft het boek een narcistisch karakter. Waar de mijnwerkers hun serviliteit koesterden, doet Kusters juist het omgekeerde: hij zet zichzelf als opgeklommen mijnwerkerszoon in het zonnetje. Trekken we van de tweehonderd pagina’s die het boek telt de citaten, gedichten en foto’s af, dan blijven er amper honderd pagina’s over. Het ‘dank aan de subsidiënten’ achterin krijgt daardoor iets wrangs.

Waar schrijft de emeritus hoogleraar over? In feite doet Kusters het werk van Knotter nog eens dunnetjes over – hij haalt dezelfde onderzoeken aan – en decoreert dat met al dan niet persoonlijke anekdotes. Zijn vader kreeg bij zijn jubileum een polshorloge cadeau, ‘een herinnering aan het verstrijken van de tijd’.

De interessantste passages zijn de (soms paginalange) door Kusters aangehaalde citaten uit boeken waarin mijnwerkers hun ervaringen optekenen. ‘Ik ben plotseling alleen in een steeds kleiner wordende ruimte. Ik probeer te vluchten, maar ik word achtervolgd door het krakend geweld. Het lijkt een nachtmerrie, die verschrikkelijke neerwaartse druk.’ Circa een op de drie koempels leed aan een vorm van mijnangst, schrijft Kusters.

Afschrobben

Een zekere H. Beckers beschrijft de deemoed die hij voelde toen hij onder de grond besefte ‘ergens te zijn waar nog nooit iemand is geweest en morgen ook niemand meer komen gaat’. Kusters verwijst naar de vroege Romantiek waarin de cultuurfilosofen ‘het sublieme’ proberen te beschrijven, en gaat vervolgens verder met het citeren van herinneringen van andere mijnwerkers. Hij had op zijn minst de romantische schrijver E.T.A. Hoffman kunnen aanhalen, die met zijn verhaal ‘Die Bergwerke zu Falun’ een eind in de buurt kwam – de mijngangen als kamers van de ziel.

Kusters weet niet welke pet hij op moet zetten: die van wetenschapper, dichter of mijnwerkerszoon. Zijn familiegeschiedenis lijkt er met de haren bij gesleept. Kusters komt niet verder dan het oprakelen van enkele geboorte- en verhuisdata en de jubilea die zijn vader te beurt vielen. En dreigt het interessant te worden, bijvoorbeeld bij de aan stoflongen stervende grootvader, dan gaat het toch vooral weer over Wiel Kusters. ‘Ik sluit niet uit dat (…) ik destijds tegen tuberculose gevaccineerd ben. Het zou kunnen verklaren waarom ik op de lagere school bij de krasjestest en in mijn militaire-diensttijd bij de mantouxtest positief reageerde. Waarna er voor de zekerheid telkens een röntgenfoto werd gemaakt.’ Het zal allemaal wel.

In beide boeken zijn het de foto’s die het meest spreken – beide boeken zijn keurig verzorgd. Eigenlijk vertellen die de hele geschiedenis. In mouwloze T-shirts gehulde mijnwerkers met houwelen en drilboren aan de slag in de met balken gestutte mijngangen; het felle oogwit steekt kwetsbaar af tegen het geheimzinnige zwart. Koempels die elkaars rug onder de douche afschrobben (poekkele), ook mooi en licht erotiserend. Het zijn de foto’s die ontroeren en die illustreren waar het in de mijnen om draaide: hard werken en kameraadschap.

Kusters besluit zijn boek met een lange wandeling door het dorp en de omgeving waar hij opgroeide – hier zat een bioscoop, daar kreeg hij voorlichting over bloemen en planten, hier woonde de dokter. En zo komt een eind aan Kusters’ ‘peilingen in de bovenste en iets dieper gelegen lagen van een zo nauw met de mijnen verbonden familiegeschiedenis’. Een oubollig en gemakzuchtig egodocument.

    • A.H.J. Dautzenberg