Kwaadaardige literaten

De Duitse schrijver W.G. Sebald woonde op een verdwenen planeet. Dat blijkt uit vrijwel al zijn boeken, die melancholieke literaire bedevaarten zijn naar verblijfplaatsen van zijn literaire helden, zoals Jean Paul, Adalbert Stifter, Franz Kafka en Robert Walser. Die helden zijn buitenstaanders. Ze voelen zich meer thuis in hun herinneringen dan in hun eigen tijd. Niet voor niets zijn rouw, rusteloosheid, herinnering en verwoesting Sebalds vaste thema’s, net zoals je schuldige en verdwenen landschappen vaak bij hem aantreft. Als een verwonderde, maar deskundige toeschouwer slentert hij er doorheen en laat, zoals Claudio Magris in zijn indrukwekkende literaire reisverslag Donau doet, zien hoe ze de literatuur hebben beïnvloed.

Sebald (1944-2001) verschilt van Magris omdat zijn boeken fictie zijn. De verteller is bij hem niet W.G. Sebald, maar iemand die op hem lijkt. Van wat hij over die schrijvers vertelt, is lang niet altijd alles waargebeurd. Biografische leemtes in de levens van zijn hoofdpersonen worden aangevuld met verzinsels over ‘hoe het geweest zou kunnen zijn’. Om de waarschijnlijkheid van zijn beweringen te vergroten, voegt Sebald daar tastbare bewijzen aan toe, zoals een afbeelding van een treinkaartje of een foto, die op zich ook weer een verhaal vertellen.

Sebalds fascinatie met de literaire cultuur van de Duitstalige wereld, die zich dankzij de verspreiding van de Duitssprekende Joodse middenklasse honderden jaren lang uitstrekte van de Rijn tot aan de Zwarte Zee, leverde hem aanvankelijk harde kritiek op. De Duitse literatuurpaus Marcel Reich-Ranicki beschuldigde hem van holocaustkitsch, vooral omdat Sebald, de zoon van een Beierse boer met nazisympathieën, zelf geen Jood was.

Vooral Austerlitz kreeg ervan langs, hoewel je, als je die kritiek niet kent, dankzij dat boek een indrukwekkend beeld krijgt van hoe een Jood, die als kind in 1938 op de valreep met een kindertransport naar Engeland werd gebracht, daar opgroeide en zijn vooroorlogse leven verdrong. Als een rusteloze zombie ontdekt die hoofdpersoon geleidelijk wat voor gruwelijks zijn achtergebleven familieleden is overkomen.

Bewondering

Naarmate de tijd vorderde en er een patroon in Sebalds werk viel aan te wijzen, sloeg die kritiek om in bewondering. Toen hij in 2001 om het leven kwam bij een auto-ongeluk in Engeland, waar hij aan de universiteit van East Anglia moderne Duitse letterkunde doceerde, was hij een alom geëerd schrijver, overladen met literaire prijzen.

Met de vertaling van zijn ‘verhalenbundel’ Logis in einem Landhaus, een boek uit 1991, is nu een nieuw deel van zijn werk in het Nederlands verschenen. Wederom neemt de verteller je mee op reis en stopt hij in plaatsen waar een van zijn bewonderde schrijvers iets wezenlijks is overkomen en hij vult de witte bladzijden in hun biografie aan met eigen verzinsels.

In zijn voorwoord zegt Sebald dat het tijd werd eer te bewijzen aan drie van zijn favoriete schrijvers: Johann Peter Hebel, Gottfried Keller en Robert Walser. Door ‘andere oorzaken’ kwamen daar ook stukken bij over Rousseau, Mörike en een bevriende kunstenaar, Jan Peter Tripp. Waarom, dat besef je als je het boek uit hebt.

Rode draden in Logies in een landhuis zijn de obsessieve schrijfdwang van zijn ‘personages’, die ten koste gaat van hun vermogen om van het leven te genieten, en hun afkeer van de moderne wereld. Ze komen het best tot uitdrukking in het hoofdstuk over de Zwitser Robert Walser (1878-1956), die zich alleen van zijn schrijfobsessie kon bevrijden door zich in 1933 in een psychiatrische inrichting terug te trekken waar hij de rest van zijn leven zou slijten.

Walser, die ‘van alle alleenstaande schrijvers de meest alleenstaande’ is genoemd, kon het in het gesticht echter niet laten door te pennen. Hij deed dat door met een potloodstompje kleine papiertjes vol te krabbelen in een minuscuul, met zeer veel moeite te ontcijferen handschrift. Een tastbaarder bewijs van een obsessie kun je je niet voorstellen.

Sebald noemt het ‘een vooroefening voor een leven ondergronds’ en dat is raak getroffen. Want Walser was letterlijk in een innere Emigration gegaan – hij had zich afgewend van de wereld en zich in zichzelf ‘opgesloten’. Zijn met minuscule letters volgepende papiertjes bewijzen volgens Sebald die drang om zich te verstoppen en zichzelf uit te willen wissen.

Nabokov

In het hoofdstuk over Walser laat Sebald zich ook zien als literatuurwetenschapper. Zo haalt hij Nabokov aan, die in de rusteloze wezens uit de boeken van Gogol een geslacht van zachtmoedige gekken zag, om die vergelijking door te trekken naar Walser, die met Gogol als met geen ander verwant is: ‘Allebei, Walser en Gogol, verloren gaandeweg het vermogen zich te concentreren op de kern van de romanhandeling en lieten zich alleen nog maar bijna dwangmatig meeslepen door vreemd onwerkelijke schepsels aan de periferie van hun gezichtsveld, over wier voorafgaande en verdere leven we nooit ook maar iets te horen krijgen’.

In Logies in een landhuis proef je ook Sebalds eigen melancholieke levensinstelling. Niet voor niets schrijft hij over Mörike en Hebel, schrijvers uit de Duitse Romantiek die de landelijke idylle verheerlijken en een afkeer hebben van de opkomende industrialisatie.

Mooi is ook de wraak die Sebald neemt op literaire critici in het hoofdstuk over het verblijf van de overspannen Rousseau op het Zwitserse St. Peterseiland. Als hij probeert te verklaren waarom Voltaire een hetze tegen Rousseau voerde, schrijft hij dat diens ‘eigen roem verbleekte naast de glans van de nieuw verschenen ster aan het literaire firmament’. En dan komt het: ‘Want bijna niets is zo onveranderlijk als de kwaadaardigheid waarmee literaten achter elkaars rug over elkaar praten.’