Krap bij kas, maar de hond moet eten

Voedselbanken voor dieren zijn in opmars nu de crisis aanhoudt. Op de uitdeelochtend in Emmen. „Je doet je kind toch ook niet weg?”

Jannie (links) en Lonneke delen dierenvoer uit in hun garage. „Wil je mensen in de crisis gezond houden, dan moet je hun dieren niet afpakken.” Foto Sake Elzinga

„Ben ik nog op tijd?”, hijgt een springerige jongen op de fiets. Zijn rottweiler, één oor afgebeten, heeft het schuim op de mondhoeken staan. De jongen – „ik heet Bertje” – heeft de hond een kilometer meegesleurd, vertelt hij. Omstanders riepen nog dat hij rustiger aan moest doen. Maar door zijn adhd was-ie vergeten dat er vandaag uitgifte was. Terwijl hij de hondenbrokken hard nodig heeft: „Van mijn Wajonguitkering houd ik maar 40 euro in de week over.”

Het is uitdeelochtend bij de dierenvoedselbank van Jannie en Lonneke in Emmen. Zo’n honderd dierenbezitters die krap bij kas zitten, komen langs in Lonnekes garage aan het Meerveld in Emmen, een arbeidersbuurt tussen twee rondwegen. De vrouw van Lonneke houdt de schuimbekkende rottweiler een bak water voor. Gulzig valt Pablo aan. Om uitgeput neer te vallen op de stoep, de poten voor zich uit, het bonkende lijf ertussen.

De garagedeur staat omhoog, Jannie en Lonneke staan eronder, achter een campingtafel. Voor hen ligt een lijst met namen en adressen van eigenaren en hun dieren. Achter hen balen hooi en ingezameld dierenvoer: honderd pakketten om precies te zijn. Hondenbrokken, kattenbrokken, hamsterbix, konijnenkorrels, knabbelsticks, snoeprolletjes. Beschikbaar gesteld door een groothandel die anoniem wil blijven.

Zonder een cent subsidie richtten Jannie en Lonneke afgelopen februari de dierenvoedselbank Zuidoost-Drenthe op. Met tien vrijwilligers willen ze voorkomen dat huisdieren slachtoffer worden van de economische crisis. Want als voormalig vrijwilliger van de dierenambulance hebben ze te vaak honden, katten en pony’s bij hun eigenaren moeten weghalen wegens verwaarlozing. Mensen met een minimumloon of een uitkering kunnen op vertoon van hun identiteitskaart een contract tekenen en gratis voer komen halen.

Sociale dienst, schuldhulpverlening en voedselbank verwijzen klanten door naar de dierenvoedselbank. Om misbruik te voorkomen, gaan de vrijwilligers af en toe onverwachts op huisbezoek. Eén fraudeur hebben ze tot nu toe opgespoord. Zij verkocht het voer door op Marktplaats.

Om kwart voor elf staat er een rij voor de garage. Jonge mannen en vrouwen, een meisje met vlechtjes in het haar. Ze praten. Over de honden, de katten, de beesten, en dat het zo fijn is dat er nu een dierenvoedselbank is. Ze pakken hun mobiele telefoons om elkaar foto’s te laten zien. „Kijk dit is Natio, wat een lief bekkie, hè? Een kruising tussen een labrador en een pincher. Net twee geworden.”

Een lasser die al een tijd „aan huis zit”, is gekomen via de sociale dienst. Zijn buurvrouw, oppaskindje achterin, heeft hem gereden en laadt het voer voor zijn herder in de achterbak. „En daarmee bespaar ik toch mooi 10 euro in de week.” Daan is net de gevangenis uit en vraagt om brokken voor zijn oude politiehond. En een mevrouw op krukken uit een leeglopend veendorp komt voor het eerst, haar maatschappelijk werker tekent het contract. Want ze peinst er niet over haar chihuahua, cavia en konijn wegens geldzorgen weg te doen. „Je doet je kind toch ook niet weg?”

En al zou ze dat wel doen, vertelt Lonneke: ook dat kost geld. Een kat onderbrengen bij het asiel kost 35 tot 40 euro, een hond 85 euro.

Een mevrouw uit Emmen is aan de beurt. Ze heeft konijntjes en een aquarium vol vissen, maar visvoer heeft de voedselbank nog niet. Ze krijgt de laatste baal hooi. Tot over twee weken, zwaait de mevrouw. Ho ho, zegt Lonneke. Wanneer de volgende keer is, ligt er maar aan. „Als we niks hebben, kunnen we ook niks uitdelen. Kijk maar op de site.”

„Maar we hebben geen internet.”

„Dan zullen we je bellen.”

Jan is vaste klant. Hij zit in de schuldsanering. Hij moet tot zijn vijfenzestigste leven van 80 euro in de week. Trek daar elke week 50 euro reiskosten naar de fabriek in Coevorden vanaf. Dan is gratis voer voor zijn twee katten à 10 euro per week „mooi meegenomen”. Jan: „Als ik deze hulp niet had gehad, had ik het niet kunnen bolwerken. Ik heb vier keer ge probeerd er een einde aan te maken. De laatste keer heb ik alle pillen geslikt die ik in huis had.”

Dacht je niet aan je katten dan, vraagt een vrouw verontwaardigd. Jan: „Dat is ’t ’m juist. Ik had er zes, maar ik moest er vier laten ophalen. En ik ben blij dat ik die twee nog heb. Anders ben je zo allenig.”

Jannie: „Wil je mensen in de crisis gezond houden, dan moet je hun dieren niet afpakken. Dieren zijn hun steun en toeverlaat, ze helpen tegen vereenzaming. Een hond moet je uitlaten. Dan kom je buiten, spreken mensen je aan, ben je iemand op wie de mensen acht slaan.”

Lonneke: „We zitten hier om het welzijn van mensen én dieren te beschermen. Met de dierenambulance kwamen we soms in huizen met verwaarloosde dieren. Acht katten, overal uitwerpselen. Die mensen worden hun huis uitgezet en moeten afstand doen van hun dieren. Er is een gezin, daar hebben ze drie honden, vier katten een papegaai en nog meer. Daar mogen geen honden meer bij. Daar sturen we een controleur op af.”

Wij zijn dierenmensen, zegt een vrouw in een scootmobiel, en dierenmensen begrijpen elkaar. Dieren zijn altijd blij, ervaart Vivian, welk humeur je ook hebt. Dieren geven altijd, zegt Bertje, ze hoeven daar nooit wat voor terug. „Alleen al het thuiskomen. Die blijdschap, dat knuffelen, ik kan niet meer zonder. Mijn honden begrijpen me. Het is precies zoals ze zeggen: toen ik de mensen leerde kennen, ben ik van dieren gaan houden.”

En weg fietst hij, met de blaffende rottweiler in zijn kielzog.