‘Jan Schaefer is een held’

Nederland heeft meer geld uitgegeven aan stadsvernieuwing dan aan de Deltawerken. Volgens historicus Herman de Liagre Böhl was het een enorm succes: ‘De grootste stadsverbetering van Europa, en de duurste’

Herman de Liagre Böhl: ‘Er brak een opstand uit tegen de modernisering van de steden.’ Foto Bram Budel

Per toeval kwam de historicus Herman de Liagre Böhl op het onderwerp waarover hij onlangs een tweede boek publiceerde: de stadsvernieuwing in Nederland in de jaren zeventig en tachtig. „Ik rolde erin toen mij werd gevraagd een bijdrage te leveren aan een boek over Wim Polak, van 1977 tot 1983 burgemeester van Amsterdam”, vertelt De Liagre Böhl aan de eettafel in zijn huis in Amsterdam-Zuid. „Toen stuitte ik op Jan Schaefer, de staatssecretaris Volkshuisvesting die onder Polak wethouder van onder meer stadsvernieuwing was. Hij was een buitengewoon interessante politicus.”

De voormalige banketbakker Jan Schaefer uit de Amsterdamse volksbuurt De Pijp, bekend van de uitspraak ‘in gelul kun je niet wonen’, is de held van Amsterdam op de helling, het boek uit 2010 van De Liagre Böhl over de Amsterdamse stadsvernieuwing. Schaefer was van 1978 tot 1986 de PvdA-wethouder die de stadsvernieuwing in Amsterdam op gang bracht, met als uitgangspunt ‘bouwen voor de buurt’. Zo werd hij de redder van de oude stad en de 19de-eeuwse wijken die volgens de plannen van de dienst Publieke Werken plaats moesten maken voor hoogbouw en snelwegen. Onder Schaefer werden deze plannen vervangen door behoud en herstel van de veelal verwaarloosde woningen. Als sloop onontkoombaar was, volgde nieuwbouw volgens het oude stratenpatroon.

De Liagre Böhl vindt Schaefer van even grote statuur als de legendarische Amsterdamse wethouder Floor Wibaut, de man achter de beroemde volkshuisvesting in het Amsterdam van de jaren twintig. „Sommige critici vonden dat ik Schaefer te veel op een voetstuk had gezet,” zegt De Liagre Böhl. „Maar ik vind hem nog steeds groot.”

In het onlangs verschenen Steden in de steigers. Stadsvernieuwing in Nederland speelt Schaefer dan ook opnieuw een belangrijke rol, nu vooral als staatssecretaris van Volkshuisvesting in het kabinet Den Uyl (1973-1977). Dit keer laat De Liagre Böhl zien hoe behalve Amsterdam nog elf andere steden, waaronder Rotterdam, Den Haag, Groningen en Maastricht, vernieuwden in de jaren zeventig en tachtig. Hoewel elke stad dit op eigen wijze deed, kwam het in grote lijnen steeds op hetzelfde neer: grootscheepse sloop- en doorbraakplannen maakten plaats voor herstel van de buurten, met beperkte nieuwbouw.

Twee jaar na Amsterdam op de helling alweer een boek over stadsvernieuwing in Nederland. Wat boeit u zo daarin?

„De stadsvernieuwing was de grootste en duurste stadsverbetering van Europa, en vermoedelijk van de hele wereld. Niet veel mensen weten dat Nederland er meer geld aan heeft uitgegeven dan aan de Deltawerken. Bovendien was de stadsvernieuwing ook een boeiende politiek-sociale botsing van buurtbewoners en stadsbesturen met sloopplannen.

„Met de stadsvernieuwing heeft Nederland een unieke prestatie geleverd. Toen de stadsvernieuwing in de jaren zeventig begon, waren de meeste oude steden tientallen jaren lang verwaarloosd. Ze zouden immers toch grotendeels worden gesloopt. Je kunt je nu bijna niet meer voorstellen hoe armzalig onze oude steden toen waren, vol gaten en bouwvallen. Twintig jaar later was alles verbeterd en vernieuwd. Dankzij de stadsvernieuwing heeft Nederland nu geen achterbuurten of getto’s.”

De stadsvernieuwing werd in vrijwel elke stad voorafgegaan door ‘cityvorming’. Nederlandse stadsbestuurders waren bevangen door sloopwoede. Wat bezielde ze?

„Alle wethouders van de stadsvernieuwing waren sociaal-democraten, maar ironisch genoeg waren hun voorgangers die in de ban waren van de modernisering dat ook vaak. Als wethouder in Amsterdam was de latere premier Joop den Uyl bijvoorbeeld groot voorstander van sloop van de oude binnenstad.

„Cityvorming moest het sluitstuk van de wederopbouw worden. De nieuwe buitenwijken na WO II waren aangelegd volgens de principes van de tuinstadbeweging: ‘licht, lucht en ruimte’. Nu moesten ook de oude steden, op een nog grotere schaal, een soort tuinstad worden.

„Maar de modernisering stuitte op zo’n hevig verzet dat je gerust van een opstand mag spreken. Of ze liepen, zoals de Amsterdamse satellietstad Bijlmermeer, uit op een fiasco. De meeste Amsterdammers zagen niets in de massale galerijflats met hun rechte lijnen te midden van groen dat berovingen en verkrachtingen bevorderde. Ze gingen liever in een rijtjeshuis in Hoorn of Almere wonen.”

Behalve Schaefer heeft Steden in de steigers nog meer helden. Hoe belangrijk waren krachtige wethouders voor de stadsvernieuwing?

„In bijna alle steden zie je dat de stadsvernieuwing is verbonden met een soort lokale Schaefer. In Den Haag speelde Adri Duivesteijn een prominente rol, Leiden had Cees Woud. In Rotterdam werd wethouder Jan van der Ploeg begin jaren zeventig al de intellectuele grondlegger van de stadsvernieuwing. Jaren voordat Schaefer aan de slag ging in Amsterdam had hij bedacht dat de stadsvernieuwing in elke buurt moest worden gestuurd door projectgroepen. Die bestonden in Rotterdam uit gemeenteambtenaren én, voor de helft, uit buurtbewoners die ook stemrecht hadden. In andere steden werden soortgelijke projectgroepen in het leven geroepen.”

U noemt de stadsvernieuwing een succes. Maar van het uitgangspunt ‘bouwen voor de buurt’ kwam niet veel terecht.

„Ja, de meeste oorspronkelijke autochtone bewoners bleven naar de overloopgemeenten in de provincie trekken. Toch is de stadsvernieuwing een succes: de meeste stadsvernieuwingswijken zijn nu levendige, gemêleerde wijken. Wijken als de Schilderswijk in Den Haag en het Oude Westen in Rotterdam, waar problemen als verloedering en drugshandel de kop op blijven opsteken, zijn een uitzondering.”

Maar wat architectuur betreft is de stadsvernieuwing beslist geen succes. De stadsvernieuwingsarchitectuur is armetierig.

„Toen Duivesteijn begin jaren negentig – hij was toen directeur van het Nederlands Architectuurinstituut – met een journalist terugging naar de Haagse Schilderswijk, was hij inderdaad teleursgesteld. Dat heeft natuurlijk vooral te maken met het feit dat een groot deel van de stadsvernieuwing plaatsvond gedurende de vorige grote recessie, de jaren omstreeks 1980. De stadsvernieuwingswoningen werden heel goedkoop gebouwd. Maar dat had wel als voordeel dat de stadsvernieuwing zo grootschalig kon zijn. En wat je ook vindt van de architectuur, meestal sloot die, in schaal en vaak ook in stijl, aan op de bestaande bebouwing. Dat was toch een flinke stap vooruit in vergelijking met de architectuur van de cityvorming, zoals Hoog Catharijne in Utrecht.”

De stadsvernieuwing is in de jaren negentig opgevolgd door stedelijke vernieuwing. Dat lijkt op een woordspelletje. Wat is eigenlijk het verschil?

„Het uitgangspunt bij de stedelijke vernieuwing is niet ‘bouwen voor de buurt’, maar de vermenging van verschillende sociale klassen. Bovendien vindt de stedelijke vernieuwing nu vooral plaats in de ‘licht, lucht en ruimte’-wijken uit de wederopbouwtijd. Daar worden nu koopwoningen gebouwd voor de middenklasse. Of werden, want door de financiële crisis van 2007 is de stedelijke vernieuwing in het slop geraakt.”

Ja, het grootste verschil is misschien wel dat de stedelijke vernieuwing nu van de politieke agenda is verdwenen. Hoe komt dat? Is het geloof in de maakbare samenleving verdwenen?

„De no nonsense-kabinetten van Lubbers bezuinigden in de jaren tachtig op van alles en nog wat, maar niet op stadsvernieuwing. Maar nu heeft minister Blok laten weten dat stedelijke vernieuwing het voortaan zonder rijksgeld moet doen. Dat heeft misschien inderdaad te maken met het nu verdwenen geloof in de maakbare samenleving.

„Zelfs Adri Duivesteijn kun je nu in verband met de terugkerende problemen in de Schilderswijk horen zeggen dat er nu eenmaal een onderklasse bestaat die toch ergens moet wonen. Dat zou een klassieke sociaal-democraat als Wibaut nooit doen. Die ging ervan uit dat de onderklasse zich zou verheffen. Toen Wibaut (1859-1936) eens werd gevraagd waarom hij als socialist in de trein niet bij de arbeiders in de derde klasse zat, maar eerste klasse reisde, antwoordde hij: ‘alle arbeiders moeten eerste klas reizen’.”

Herman de Liagre Böhl: Steden in de steigers. Prometheus, 392 blz. € 29,95