James Bond van de Middeleeuwen

Nu is er dan een vlotte, eigentijdse vertaling van de Middelnederlandse Arturverhalen. Ridders vechten zich suf, tegen elkaar en tegen draken. God, magie, Tolkien en Potter.

k had er wel eens over gehoord, over het zwevende schaakbord, maar de bijbehorende tekst nooit gelezen. Maar hier was het dan, aan het begin van het Middelnederlandse verhaal over de ridder Walewein. En het was er ook heel snel. Het verhaal is nog maar net begonnen. ‘Op een dag zat koning Artur in de grote zaal van zijn burcht Carlioen.’ Het is hofdag, de koning en zijn ridders zitten na de maaltijd nog wat bij elkaar. En dan komt door het open raam zomaar een schaakbord naar binnen gezweefd. Het landt op de vloer van de ridderzaal. ‘Wie een potje schaak wilde spelen kon zo beginnen!’

Maar iedereen kijkt met open mond toe. Het bord is gemaakt van ivoor, ingelegd met kostbare edelstenen, met pootjes van rood goud en een opstaande zilveren rand. De bijbehorende schaakstukken zijn volgens de verteller ‘meer waard dan heel Arturs rijk bij elkaar.’ Het schaakbord staat even op de grond – en stijgt dan weer op en zweeft weg, door hetzelfde raam naar buiten.

Wat een krankzinnig gegeven. En wat een goed begin. Je zit meteen rechtop en je wilt weten hoe het verder gaat. Koning Artur ook. Hij daagt zijn ridders uit om achter het zwevende schaakspel aan te gaan en het te bemachtigen. En wie dat lukt ‘zal na mijn dood mijn gehele rijk én mijn koningskroon de zijne mogen noemen.’ Het is ridder Walewein die als enige opstaat en de uitdaging aangaat. Hij trekt zijn wapenrusting aan, klimt op zijn paard Gringolet, maakt ‘met zijn rechterhand’ een kruisteken en vertrekt – alles nog binnen de twee bladzijden. De queeste is begonnen.

Ik ga dat hele verhaal niet navertellen, maar u krijgt een goede indruk als ik vertel dat onze Walewein al meteen opgesloten komt te zitten in een hoge berg, en dat zich daarin een drakennest blijkt te bevinden, en dat hij besluit de vier draakjes te doden, en dat even later de moederdraak thuiskomt en dat er dan een bladzijdenlang gevecht volgt tussen het boze monster en onze dappere held Halewein, ‘die altijd en eeuwig uitblonk in deugdzaamheid.’

Zo’n soort verhaal is dit. Het is geen verrassing dat Halewein het er levend vanaf brengt – en de moederdraak niet. En dat een Hogere Instantie daarin de hand in gehad lijkt te hebben. ‘Dolgelukkig dankte hij de Heer in de hemel.’ En zo gaat het verhaal door. We komen in toverpaleizen met tovervoorwerpen, in donkere bossen met duistere ridders, in roofburchten en in een soort recreatiekastelen, met jonge ridders die triktrak spelen, of ‘een balspel.’

Walewein krijgt onderweg steeds nieuwe deelopdrachten, waardoor het verhaal enorm uitdijt en de verteller steeds nieuwe vechtscènes kan beschrijven – wat hij graag doet. ‘Het werd warm in de maliënkolders.’ Helmen en schedels worden regelmatig gekliefd, en dan liefst tot op de kaaklijn. Met de speren wordt niet geprikt, maar ‘dwars door de buik’ gestoken, ‘zodat de wimpeltjes aan de speren er aan de achterkant [...] weer uitkwamen.’ Als Walewein langsgekomen is, kunnen de mensen het meestal niet meer navertellen: ‘En iedereen [...] bleef daar liggen met de voeten omhoog.’

Het verhaal wordt met veel vaart verteld. Tussen alle actie door zijn er ook uitweidingen over het nieuwe fenomeen van de hoofse liefde. Tegenover zijn jonkvrouwe Ysabele gedraagt Walewein zich uiterst hoffelijk. En passant wordt ook duidelijk dat dit allemaal gebeurt met goedkeuring en steun van God. Het succes van Walewein is ook het succes van het (nieuwe) christelijke geloof.

Maar intussen zijn er ook op de gekste plaatsen toveroplossingen nodig. God kan alles, maar blijkbaar niet altijd. Zo stuitert het verhaal naar zijn einde. Als alle problemen zijn opgelost gaat Walewein met zijn schaakbord terug naar koning Artur. De verteller rondt de zaak nu snel af. Hij staat te popelen, zo lijkt het, om te beginnen met een nieuw verhaal.

Zo gaat het toe in ‘Walewein en het zwevende schaakspel’, een van de negen grote Middelnederlandse Artur-verhalen die zijn opgenomen in het dikke boek De ridders van de Ronde Tafel. Oorspronkelijk waren ze allemaal op rijm, in korte regels, bedoeld om voorgedragen te worden, zoals zoveel Middelnederlandse teksten. ‘Vanden coninc Arture / Es bleven menighe avonture / Die nemmer mee ne wert bescreven.’

Ze zijn nu allemaal vertaald in hedendaags Nederlands proza, door Ingrid Biesheuvel. ‘Over koning Artur zijn heel wat verhalen gemaakt die nog nooit te boek zijn gesteld.’ Ze lezen vlot weg, deze verhalen over ridders als Perchevaal, Moriaan, Lanceloot, Ferguut, Torec en Ragisel. Ze behoren allemaal tot wat Frits van Oostrum in zijn voorwoord ‘het stofcomplex rond koning Artur’ noemt, de verzameling Artur-verhalen die in de 12de eeuw in heel Europa in de lucht hing.

Er zit een oude Keltische kant aan, met veel magie. Er klinken sprookjes en mythen in mee. Maar het grote voorbeeld voor veel van deze verhalen is Chrétien de Troyes, die tussen 1170 en 1190 al die Artur-stof omwerkte tot vier grote Artur-romans. Hij gaf als eerste de vrouw een hoofdrol, en hij stelde als eerste de ridder voor als een rolmodel: een voorbeeld voor trouw, moed, integriteit, rechtvaardigheid en kracht.

In al die verhalen komen dezelfde gegevens en patronen terug, maar altijd in een andere volgorde, en onder een andere belichting. Zo is het ook met de negen romans in De ridders van de Ronde Tafel. Het zijn verhalen met vaste ingrediënten. Steevast begint het met een hofdag. En altijd duikt er dan wel een ongenode gast, of een schaakbord, op om het verhaal in gang te zetten. Een duel begint met twee op elkaar afstormende ridders van wie de speren meteen afbreken, ‘tot aan de handgreep.’ En altijd zijn er mooie namen: De Verschrikkelijke Zetel, het Zwaard met de Wonderbaarlijke Ringen, het Woud zonder Genade, de Kwade Jonkvrouw, de Rode Ridder, de Zwarte Ridder en de Ridder met de Mouw.

Dit is ook al bijna de wereld van Tolkien en Harry Potter. Ik werd een beetje lacherig van die draken, die reuzen en die dwergen. Fantasy. Wat heb je er, laat ik de vraag maar eens stellen, eigenlijk aan? Er is geen psychologie, geen karakterontwikkeling, geen logica. Het is actie na actie, in simpele zinnen, en het gaat maar door. En als het verhaal uit is, volgt er weer zo’n verhaal.

Misschien staken de vroegere toehoorders er nog iets van op – over de christelijke moraal, de etiquette aan het hof, hoe je als edelman te gedragen. Maar voor de moderne lezer blijft er weinig meer over dan een spannend jongensboek. En dan kom je vanzelf op James Bond – een naam die Frits van Oostrom ook noemt in zijn voorwoord: een held op reis, steeds nieuwe verhalen tegen een vertrouwde achtergrond, gebruik van vaste motieven en formules. Beschouw dit Artur-boek dus maar als de James Bond van de middeleeuwen. Wat zeg ik: een box met negen films achter elkaar.

En net als bij James Bond sloeg bij mij de verveling toe. Bij de vierde draak geloofde ik het verder wel en begon ik te verlangen naar zulke on-arturiaanse dingen als stilstand en verdieping. Ik betrapte mezelf erop dat ik af en toe stiekem de originele tekst erbij pakte. Niet om de soepel lopende vertaling te controleren, maar om eens even stil te staan bij een detail, een wending of een woord.

Weet u wel dat een ‘opperschenker’ vroeger ‘bottelgier’ heette? Weet u wel dat ‘stappans’ het oude woord voor ‘onmiddellijk’ is? Een tent noemden ze ‘pauwelioen’ (paviljoen), een kippenpoot een hoenderdij. En als er weer eens eentje tegen de vlakte geslagen was, zeiden ze: ‘Hi wart herde sere verdoeft.’ Biesheuvel vertaalt het mooi: ‘Die zag sterretjes.’

Het is natuurlijk nooit goed. Toen ik mij vroeger moeizaam een weg moest banen door langdradige Middelnederlandse teksten, dacht ik: geef mij een vlot lopende hedendaagse vertaling in proza. Nu die vertaling er is, word ik weer nieuwsgierig naar de oorspronkelijke tekst. Misschien is dat wel een groot compliment voor het monnikenwerk van Ingrid Biesheuvel.

    • Guus Middag