‘Ik was de kip met de gouden eieren’

In de korte serie ‘vrouwen die een taboe doorbraken’ vertelt Marijke Helwegen (1949) hoe ze plastische chirurgie-icoon werd.

Marijke Helwegen als 17-jarige.

„Zeg maar Marijke, iedereen zegt Marijke, of ik nou in Goes loop of in Groningen: ‘Hee Marijke, wat ben je leuk!’ Vervelend? Enig vind ik dat.

„Ik was een heel gevoelig meisje en ambitieus, niet normaal ambitieus, een moeilijke combinatie. Mijn moeder was een mooie, intelligente vrouw. Ik had als jong meisje veel bewondering voor haar. ‘Kijk Grace Kelly toch eens, hoe elegant, rijk, slank en ze heeft een sportwagen’, hoorde ik haar vaak zeggen. Dus iedere avond bad ik: ‘Lieve Maria laat mij gelukkig worden; ik wil beroemd zijn, slank, met een huis in het Gooi.’

„Ik ben opgevoed met twee broertjes, van wie de oudste uit het eerste huwelijk van mijn vader. Hij was een lief, maar angstig jongetje. Als hij op straat een hondje zag begon hij te huilen, bovendien had hij een lui oog. Mijn moeder had last van zijn angst. Zij heeft hem – hoe goed ze met andere dingen was – altijd openlijk bekritiseerd. Voor haar was hij een stoorzender. Die spanning heeft mijn jeugd beïnvloed.

„Ik was een goede leerling maar slecht in wiskunde. Alle leuke jongens in de straat zaten op de hbs. Ik wilde meetellen, maar toen kwam de eerste grote desillusie in mijn leven: ik haalde het toelatingsexamen niet omdat ik een één voor rekenen en meetkunde had. Toen moest ik naar de mulo, een nederlaag. Ik huilde: ‘Wat kun je nou met mulo?’

„Mijn vader had een goede baan bij de Staatsmijnen. Hij loodste me daar op mijn zeventiende binnen als directiesecretaresse. Vanaf de eerste dag wist ik: ‘Ik kan dit niet.’ Ik maakte de ene fout na de andere. Ondanks dat kreeg ik een goede beoordeling. De directeur zei: ‘Kindje, wat jij het hele jaar fout doet, dat maak je vier keer per jaar ruimschoots goed.’ Vier keer per jaar mocht ik mee naar beurzen. Ik kreeg zo’n leasepakje van Nina Ricci en ik straalde! Ik gooide met de pinda’s, ik kroop over het tapijt en die inkopers uit het buitenland dachten: ‘Ze hebben Lucille Ball ingevlogen’. Ik kon mensen ontwapenen. Die act heb ik altijd volgehouden.

„In De Telegraaf stond een advertentie: ‘Gevraagd top-acquisitrice die voor assurantiebedrijven afspraken kan maken’. Ze hadden 200 kandidaten maar kwamen bij mij langs. ‘U krijgt 30 adressen en telefoonnummers: directeuren van ziekenhuizen, tandartsen en orthodontisten. We willen dat u probeert een afspraak te maken voor een lijfrente. Ik kon de telefoon haast niet oppakken van de zenuwen, maar ’s avonds om 5 uur was ik klaar en had ik 28 afspraken. Ik was de kip met de gouden eieren. Binnen anderhalf jaar reden ze allemaal in een BMW, de secretaresses kregen Chanel, ik een sportauto. Ze waren heel trots op me.

„Toen belde een kliniek uit Den Haag: ‘Wij gaan ons richten op cosmetische chirurgie. Wij zoeken iemand die pr kan doen en ons boegbeeld wordt.’ Ineens werd ik op allerlei dingen uitgenodigd: ‘Wil Marijke naar een haringparty komen? Naar een aidsgala? Een commercial doen?’ Ik stond in alle bladen, het ging maar door. Voor mij was het een speeltuin, ik was gek op aandacht en die kreeg ik. Niet iedereen vond dat leuk. Op vergaderingen vroegen artsen zich af of ik wel het goede uithangbord was. ‘Is ze nou voor ons of voor zichzelf bezig?’

Weekblad Privé schreef in 2001: ‘Dit is Marijke Helwegen, die zich helemaal heeft laten verbouwen en in plaats dat Marijke zich ervoor schaamt is ze er nog trots op ook.’ Ik dacht: ‘Waar hebben we het over?’ Ik had maar één man, was praktiserend rooms-katholiek, heel goed in mijn vak, rookte niet, dronk niet, altijd netjes gekleed, nooit iets met seks. Dat vond men onbegrijpelijk, dus ‘de bladen’ namen maar van elkaar over.

„Ik heb een aantal ingrepen laten doen puur omdat het mijn vak was. Dan pas ben je ervaringsdeskundige. Mijn moeder zou trots op mij zijn geweest. Ik heb alles bereikt waar zij van hield: mooi, slank, sportwagen, huis in het Gooi. Het tragische is dat ze het nooit heeft kunnen meemaken. Nog tragischer is dat ik met haar nooit heb kunnen praten over het verhaal van mijn oudste broertje.”

    • Frank Dam