‘Ik voel me een Duitse schrijver’

De romans van de Iraaks-Duitse Sherko Fatah verbazen, ontregelen en choqueren. Hij neemt nazi’s en moslims onder vuur. „Hoe minder gevoelig je bent voor levensgevaarlijke leiders, des te sterker sta je.”

Sherko Fatah: ‘Arabische immigranten weten niet dat je hier een goede opleiding en veel zelfvertrouwen nodig hebt’ Foto Roger Cremers

Hij staat wat verloren op het plein. Zijn wollen muts geeft aan dat hij het koud heeft, maar in zijn ogen gloeit vuur. Dit is Sherko Fatah, de auteur van even ijzingwekkende als gepassioneerde romans. Hij woont in Berlijn, heeft Iraakse wortels en is een paar dagen in Amsterdam.

De vertaling van zijn roman Ein weisses Land is uit en dat moet worden gevierd. In het Nederlands heet Ein weisses Land De dief van Bagdad. Ook goed, want Anwar, de jonge verteller, is inderdaad een dief. Een tijdje dan. Van een roverhoofdman leert hij om tegen muren op te klimmen, hoge muren van mooie huizen in Bagdad. Via een slaapkamerraam is het dan niet meer moeilijk om in zo’n huis binnen te dringen.

Fatah gaat ook naar binnen. Een steile trap leidt naar de woonkamer van een smal Amsterdams huis. „Dat klimmen”, legt hij nog nahijgend uit, „heeft ook een symbolische lading. Het staat voor Anwars wens om hogerop te komen in de maatschappij.” De Arabische knaap komt uit een arme familie en een arme buurt. Van school heeft hij al gauw genoeg. Het straatleven biedt óók kansen. Als je je maar bij de juiste mensen aansluit, denkt Anwar. En dat zijn voor de lezer nou juist de verkéérde mensen.

De auteur, in donkere kleren gehuld, werpt vanuit de erker een blik op het nu geheel verlaten plein. Hij zegt: „Anwar is erg alleen. Hij zoekt sterke leiders. Eerst werkt hij voor Malik, de roverhoofdman. Dan stapt hij over naar Nidal, een machtige fascist. Daarna treedt hij bij een nog belangrijkere heer in dienst, de Grootmoefti van Jeruzalem. Het zijn steeds mensen die nergens aan twijfelen, wat Anwar prettig vindt. Maar in de tijd waarin hij leeft zijn sterke mensen óók gevaarlijk.”

De tijd: de jaren dertig. „Een instabiele tijd. In zulke tijden komen er leiders op die in rustigere perioden mislukt zouden zijn. Plotseling ruiken zij hun kans. Dat was zo in de Republiek van Weimar, dat was ook zo in de Oriënt. Politieke avonturiers beleven in tumultueuze tijden hun gouden jaren.” Als een gewetenloze opportunist holt Anwar van de ene winnaar naar de andere. Hij blijft aan niemand trouw en verraadt zelfs zijn beste vriend.

„Je kúnt hem niet aardig vinden. Maar je mag niet roepen: ‘Die vent is mij te slecht’, en het boek dichtslaan. Je móet verder lezen. Dus ik moest zijn gemoedsbewegingen heel precies beschrijven. Zo precies dat de lezer erin meegaat. Anwar komt in steeds gevaarlijkere situaties terecht. En dan begrijp je: ‘Nu is het te laat, nu kan hij niet meer terug.’ Dat is tergend, want zojuist heb je nog hoopvol geroepen: ‘Niet doen, jongen, niet doen!’”

Sherko Fatah draagt het Oosten én het Westen met zich mee. Zijn vader is een Koerd uit Noord-Irak, zijn moeder een Duitse. Zoon Sherko kwam in Oost-Berlijn ter wereld, in 1964. „We woonden in een lelijke prefab-flat, zo’n hele hoge. Officieel bestond er in de DDR geen rassendiscriminatie, maar ik ervoer dat anders. Ik was ook boos omdat we achter die Muur gevangen zaten. Mijn vader had het makkelijker. Hij bezat geen DDR-paspoort en mocht vrij reizen. Hij was een overtuigd socialist. Van religie moest hij niets hebben en op traditionele moslims keek hij neer. Dat verkleinde de culturele kloof tussen hem en mijn moeder, maar nam hem niet helemaal weg. De twee zijn allang uit elkaar.”

Witte mensen

De vader woont weer in Irak. De zoon week uit naar West-Berlijn. In de multiculturele wijk Kreuzberg voelt hij zich op zijn gemak. „Wijken met alleen witte mensen staan mij tegen. Daar voel ik me buitengesloten. Ik voel me ook niet echt een Duitser, want met Beieren heb ik niets. Ik voel me wel een Duitse schrijver. De Duitse, de Europese literatuur is mijn culturele Heimat.”

Ook de dief van Bagdad komt in Europa terecht, in het gevolg van de Grootmoefti van Jeruzalem. „Die zag hoe Joden naar Palestina trokken. Hij vreesde dat daar een Joodse staat zou ontstaan die gevaarlijk kon worden voor de Palestijnen. Dat gevaar probeerde hij met alle middelen te bestrijden. Hij vocht tegen de Britten die met de Joden verbonden waren en de trek naar Palestina ondersteunden. In de nazi’s vond hij medestrijders.”

Dat de Grootmoefti al in Irak gehoor vond, in de jaren dertig, dat heeft volgens Fatah ook met de Britten te maken. „Het gewone volk in Irak keerde zich tegen de Britse bezetters. De Iraakse Joden ondersteunden de bezetters juist, want die waren voor internationalisme en goede handelsbetrekkingen. Veel Joden in Irak waren rijke kooplui. Dat zette kwaad bloed bij de Arabische armen. Van dat anti-Joodse ressentiment maakten de nationalisten en de fascisten gebruik.”

Via die kringen wordt Anwar een toegewijd bewaker van de Grootmoefti; hij slaapt zelfs voor zijn deur. En kijkt door sleutelgaten. En luistert een gesprek tussen zijn baas en Heinrich Himmler af, al snapt hij niet waar zij het over hebben. We bevinden ons dan in Berlijn, in het hart van het Derde Rijk.

Vanaf dat moment doet Fatah een vreemd aspect van WO II uit de doeken: de deelname van moslims aan Hitlers vuile strijd. „Uit de samenwerking tussen Himmler en de Grootmoefti kwam een regiment met louter islamitische mannen voort. Het had de raarste namen. Van Ost-Turkmestanisches Regiment tot en met Hamscha-divisie: alleen al de naamsverwarring geeft de fragiliteit van de constructie weer. Er zijn een paar foto’s van de jongens overgebleven. Daar staan ze dan met hun zwaarden en gekke hoeden – ze droegen een soort fez. En ze waren verantwoordelijk voor een paar flinke misdaden aan het Oostfront.”

Aftocht

Erger nog wordt het in Warschau. Daar strandt de divisie bij haar aftocht. „Ze kreeg er het bevel de ondergrondse Poolse regering uit te roeien. Bij wijze van straf voor een paar muiterijen. De Polen hadden zich in het riool verstopt en de Duitsers spoten daar gas in en staken het aan. De Hamscha-jongens moesten de lijken opruimen.” Ook Anwar daalt af. Naar een hel waar de honden geen brood van lusten. Harder dan oudere Duitse auteurs beschrijft Fatah de oorlogsgruwelen. Hij snapt wel hoe dat komt.

„Heinrich Böll en andere schrijvers van zijn generatie moesten zichzelf beschermen. Hun wonden waren nog zo vers. Ze waren ook vaak door nazi’s opgevoed. Dat vertroebelde hun blik. Alleen een paar Amerikanen hebben vlak na de oorlog op een harde toon over die oorlog geschreven. Zoals Norman Mailer in The Naked and the Dead. Wij jongere schrijvers hebben het makkelijker. Wij hebben een grotere afstand.”

Hyperrealistisch zou je Fatahs proza kunnen noemen. Het verbaast, ontregelt, choqueert. Politiek correct is het nooit. Zo maakt de held in Das dunkle Schiff (Vertaald: We gaan als het donker wordt) zich schuldig aan misdaden in naam van Allah.

Veel migranten uit Arabische landen onderschatten hoe moeilijk een bestaan in Europa is: „Ze weten niet dat je in Europa een goede opleiding nodig hebt en heel veel zelfvertrouwen. Hun vatbaarheid voor het islamisme is een groot probleem. Geloof is op de beschavingsladder sowieso een terugval. Het brengt alleen maar ellende.” Gelooft hij, Sherko Fatah, dan helemaal nergens in?

„Toch wel. Ik geloof in Bildung. Ik weet wel dat Heinrich Himmler ook gebildet was. Maar dat wil nog niet zeggen dat scholing zinloos is. Goed onderwijs betekent: leren zelfstandig te denken. Hoe minder gevoelig je bent voor levensgevaarlijke leiders, des te sterker sta je.”

    • Anneriek de Jong