Het reststeen van de kop bikken

M., het debuut van Shira Keller (1985) staat vol details, maar precies waar je ze verwacht, krijg je ze niet. Want als de vijftienjarige Leah en haar leraar op een bankje aan het water zitten, dan staat er: ‘Ik kan me niet meer voorstellen hoe ik het gezegd heb […] maar ik moet het gezegd hebben, want hij antwoordde: „Verliefd? Op mij?”’ En ook bij de weergave van zijn antwoord draait de verteller om de hete brij heen. ‘Getrouwd. Dochter. Toekomst. Docent. Jong. Tijd. Zijn woorden buitelden over me heen en kregen geen vat op me.’

Het meisje en de docent die op deze middag na schooltijd samen zitten vormen het hart van de roman, waarin de volwassen Leah Rosenberg, een beeldhouwster van een jaar of veertig, aanhikt tegen een mooie opdracht. Ze mag een zelfportret maken voor een prestigieuze internationale tentoonstelling: Sculptors Immortalized. Ze is goed in haar vak: ‘Recensenten beschrijven me als iemand met een diepe artistieke visie, met een eigen filosofie. Ik zou me afzetten tegen stromingen waar ik bij god niet van weet wat ze inhouden en die me geen hol interesseren […] Ik zie in een blok graniet de kop die eruit tevoorschijn wil komen, zoals een slager een karbonade ziet in een varken.’ Ze bikt eraf wat eraf moet, zodat de kop overblijft, het andere is reststeen. Maar een portret van zichzelf maken? Leah Rosenberg maakt beelden van anderen, de rust om naar zichzelf te kijken neemt ze nooit. In haar appartement staat geen bed, ’s nachts ligt ze soms een paar uur op de bank.

De opdracht maakt dat ze terug in haar kindertijd en jeugd wordt getrokken: haar door een dubbel oorlogstrauma (Joods én Jappenkamp) opgejaagde vader en grootouders, haar veel te vaak huilende moeder en vooral haar eigen obsessie voor Markus Prins.

Hij is de merkwaardige leraar klassieke talen van wie iedereen bij zijn aantreden verwacht dat hij binnen een maand weggepest zal zijn. Het loopt anders: ‘Ik kauwde op mijn potlood en keek naar mijn klasgenoten, die aan zijn lippen hingen alsof ze collectief een flauwe grap met me uithaalden.’ Die zin is een sterke verbeelding van het ongemak van een vijftienjarige in een groep die zich anders gedraagt dan zij verwacht, maar het tekent ook de verwarring van Leah over haar eigen gevoelens, want inmiddels is háár verhouding tot de leraar ook verschoven. Bij een door de hele klas bezochte voorstelling van Elektra kijkt Leah haar docent in de ogen: ze is ineens verkocht, al weet ze dat zelf dan nog niet.

Ondanks wetten en de door Markus Prins geformuleerde praktische bezwaren beginnen Leah en hij niet lang daarna aan hun reeks dagelijkse afspraakjes bij een kerktoren waarvan de klok op vijf voor elf stil is blijven staan. Zo gaat het maanden voort. Het zal slecht aflopen.

Er zijn talloze redenen om M. te prijzen: om de wijze waarop Keller motieven in het verhaal laat terugkeren, zoals het prikken van rozen, bijen en spinnewielen (‘Ze wordt geprikt door een man’ gromt opa van achter zijn krant als oma over de Schone Slaapster vertelt).

Dat verhaal van de honderd jaren slapende Doornroosje is een verhaal over tijd, het centrale motief van M. De roman begint met de moeder van Leah die ‘breekbaar als een ongekookte spaghettistengel’ op de wc-pot klimt om een kalenderblaadje af te scheuren. En verder wemelt het van de klokken en horloges in het boek – waarbij alles stilzwijgend verwijst naar de last van het oorlogsverleden van Leahs familie, van haar vader. En dat de liefde voor een leraar alles te maken heeft met haar vader geeft Keller stilletjes aan door Leah tussen de in haar atelier opgeslagen beelden te laten lopen: portretten van haar exen, vele versies van haar vader, maar geen enkel beeld van haarzelf en niks van Markus Prins.

M. verscheen eind augustus – en welbeschouwd is het merkwaardig dat een debuut van een 27-jarige met zo veel kwaliteit niet binnen een paar weken overal de lucht is ingestoken. Dat is misschien toeval, of het gevolg van de publicatie midden in het literaire hoogseizoen, waarin de critici afgeleid zijn door andere boeken. Het kan ook samenhangen met de kleine feilen van het boek, waarin bij tweede lezing alles precies blijkt te kloppen, maar waarin aanvankelijk de tijdsprongen het verhaal minder overzichtelijk maken. Ook valt er nog wel iets af te dingen op wat al te opzichtig gedoe met littekens – en een uurwerk minder had ook gemogen.

Dat valt allemaal in het niet bij de sterke beelden en de zeggingskracht waarmee deze debutante dit verhaal op papier heeft gekregen. Elke zin in M. is geladen met betekenis, maar die betekenis geeft Keller haar woorden door de echt belangrijke zaken allemaal tussen de regels door te laten zien. Wat ze doet is – inderdaad – de methode volgen van de beeldhouwster die haar hoofdpersoon is: om de kern heen werken, door al het overbodige reststeen weg te kappen tot er staat wat je wil laten zien.

    • Arjen Fortuin