Er is geen eind aan het kijken

Ik heb ook een voornemen. Al een poosje. Het is: niet meer mopperen. Ook niet mopperen als je het ‘analyse’ noemt. Of als je zogenaamd geestig beschrijft hoe het allemaal misgaat. Of als je met vrienden zit te praten en iedereen weet zeker dat het onderwijs vroeger veel beter was. Probeer, zo zeg ik tegen mijzelf, te kijken naar mogelijkheden.

Hier lijkt al weer de echo te klinken van het handenwrijvend soort van vooruitgangsdenken dat alles in een ‘kans’ omtovert, zoals onlangs in deze krant de directeur van Bruna deed, die zei: bekijk boeken eens als te verkopen potten jam en je ziet nieuwe mogelijkheden. Daar voel je meteen weer veel cynisme opborrelen. Maar je kunt ook denken: hij boort misschien nieuwe verkoopmogelijkheden en -technieken aan die, toegepast door iemand die beseft dat boeken in de eerste plaats cultuurdragers zijn, hier en daar wel bruikbaar zijn.

Nou? Optimistisch hè?

Maar eigenlijk bedoel ik wat anders. Ik las in het tijdschrift Nexus een opmerking van schrijver Huub Beurskens over die beroemde regel van Rilke die de conclusie is van de intense beschouwing van een Griekse Apollo-torso: Du musst dein Leben ändern. „Let wel”, schrijft Beurskens, „niet de kunst verandert je leven, ze roept je op dat te doen”. Je moet zélf je leven veranderen en daarbij gaat het, aldus Beurskens, niet om beslissingen van materiële of relationele aard, maar „om de intentie je aandacht te verplaatsen van het zelfbespiegelende (het afgrondelijke domein van de neerslachtigheid) naar dat wat buiten je is of lijkt, een aandacht die daarbij vanzelf omslaat in verwondering”.

Nu heb ik soms weleens schoon genoeg van de oproep tot verwondering dan wel onderzoek die de kunst steeds schijnt te doen, maar dat is meer omdat die woorden nogal eens woorden blijven en geen verwondering veroorzaken.

De belangeloze en intense beschouwing van wat buiten je is of lijkt (dat laatste woord is ook een goede toevoeging) levert juist geen neerslachtigheid op, maar levenslust. Niet omdat je steeds denkt: ‘wat is het leven toch geweldig’, maar omdat je opgaat in iets anders. Iets wat niet ‘jij’ is.

Het leek of Beurskens’ woorden onmiddellijk werden geïllustreerd door David Hockneys recente werk dat nu in Keulen te zien is. Hockney heeft, niet als eerste schilder, genoeg van het perspectief van camera en schilderij dat ons altijd maar dwingt alles te zien alsof het in een punt verdwijnt – en dus om heel veel niet te zien. Het centraalperspectief maakt steeds maar één blik mogelijk: die van een toeschouwer die als het ware door een gat naar de wereld kijkt.

Maar zo kijkt niemand. Je ogen dwalen, langs mensen en bomen, struiken en huizen.

In zijn nieuwe, meestal enorme schilderijen laat Hockney de ogen ook dwalen. Hoe het werkt, laat hij zien met videoschilderijen, die bestaan uit opnames van negen op een vierkant rek gemonteerde camera’s tegelijk, die bijvoorbeeld een bosrand filmen. Het beeld van elk van deze camera’s is scherp. Die negen beelden naast en onder elkaar tonen dus een enorm panorama waarin álles scherp is: de boomkruinen, de stammen, de bewegende planten in de berm.

Het is bijna niet te beschrijven wat voor gevoel van opwinding en rijkdom dat oplevert. Je weet ineens: er is geen einde aan het kijken.

Het wonderlijke van Hockneys werk is bovendien dat je, door dat multifocale perspectief, niet gedwongen wordt om je stemmingsvol in zijn landschappen te begeven. Je vraagt je niet af: hoe zou het voor mij zijn om in dat landschap te zijn, nee, je bent er al en kijkt. Je wordt dus niet tot jezelf gebracht, maar tot buiten jezelf. En tegelijkertijd voel je je niet de toeschouwer die niets te maken heeft met wat hij ziet (want door de schilder of de camera buiten het beeld geplaatst) maar bén je je blik.

Zó moet je voortaan kijken, naar alles in zijn verscheidenheid, dacht ik af en toe. Met vrij dwalende ogen en geest. Du musst dein Leben ändern.

Het leven is natuurlijk geen schilderij. Maar onze blik is wel sterk bepaald door steeds maar weer focus, nadruk, reductie, door steeds maar weer te kijken alsof ontzaglijk veel er niet toe doet. Natuurlijk is dat ook een manier om verder te komen, wie steeds alles in de gaten wil houden, zal niet snel een nieuw medicijn tegen kanker ontdekken of het touchscreen uitvinden. Maar wie de verwondering niet kent, zal dat evenmin doen. Om iets te kunnen ontdekken, moet je om te beginnen dat wat er is niet voor vanzelfsprekend houden. Als je even naar Hockney kijkt (en dat geldt natuurlijk voor menig kunstwerk) dan begrijp je niet goed meer hoe je ooit gedacht zou kunnen hebben dat er iets vanzelf spreekt. Alles is in beweging, aldoor, alles verandert: het licht, de kleuren, de seizoenen. Wijzelf.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC Handelsblad.

    • Marjoleine de Vos