En nu nog leren speerwerpen

Hij traint de hele week op Papendal. Meerkamper Tim Dekker droomt van een olympische medaille. Misschien is ‘Rio’ nog te vroeg. Dan maar in 2020.

Meerkamper Tim Dekker: „Ik ben best wel slim, maar doe niet altijd slim.” Foto Rien Zilvold

Tim Dekker consumeert sport als een veelvraat. Van jongs af aan gedaan. Tijdens Olympische Spelen is hij niet weg te slaan voor de buis. Paardensport, boogschieten, volleybal, wielrennen of natuurlijk atletiek, hij slorpt de beelden op. Dáár, op dát podium, wil Dekker staan. Dat heeft hij zich heilig voorgenomen. Misschien in 2016, maar toch zeker in 2020. Als meerkamper, natuurlijk. Je bent een veelvraat of je bent het niet.

De basis voor een plaats op het olympisch podium heeft Dekker reeds gelegd. De talentvolle atleet won vorig jaar in Barcelona bij de WK junioren brons op de meerkamp, was op het Sportgala genomineerd als talent van het jaar en is door de Atletiekunie uitgeroepen tot de grootste belofte van 2012.

Tenzij de lijn naar boven breekt gaat Dekker zijn ambities waarmaken, denkt Bart Bennema, zijn trainer sinds Dekker drie maanden geleden de stap naar een fulltime sportbestaan op het nationale sportcentrum Papendal heeft gezet. De jonge meerkamper uit Gouda heeft volgens de bondscoach alles om internationaal goed te worden. Bennema: „Fysiek en mentaal moet hij in staat zijn de eerstvolgende Olympische Spelen te halen. Hij scoort nu al hoger dan Eelco Sintnicolaas op negentienjarige leeftijd.”

Lovende woorden voor een atleet die de overgang van junior naar senior nog moet verteren. En dat kost enige tijd. Maar er dreigt ook een gevaar. Dekker is van nature gemakzuchtig. Die eigenschap openbaart zich vooralsnog niet op de atletiekbaan, omdat sport zijn passie is. Maar Dekker moet wel uitgedaagd worden, anders kan het misgaan.

Het is voor de meerkamper te hopen dat zijn studieaanpak niet exemplarisch wordt voor zijn sportcarrière. Dekker begon na de basisschool op het gymnasium, maar dreef geleidelijk af naar de Havo. Een vervolgstudie commerciële economie aan de Johan Cruyff University was evenmin aan hem besteed. „Ik was te lui”, is zijn eerlijk analyse. Om daar grinnikend aan toe te voegen: „Ik ben best wel slim, maar doe niet altijd slim.”

Uit zijn sportprestaties blijkt vooralsnog wel het nodige gogme. Neem de WK junioren in Barcelona, vorig jaar zomer. Hij maakte zijn entree als nummer acht van de wereldranglijst, maar eindigde op het podium, een plaats die eerder leek te zijn weggelegd voor zijn hoger gerangschikte landgenoot Pieter Braun. Typisch Dekker, meent coach Bennema. „Een nuchtere vent, die zich niet snel gek laat maken.”

Hoe Dekker dat geflikt heeft? „Nou gewoon, door van de wedstrijd te genieten”, verklaart Dekker zich nader. „Ik had me voorgenomen de WK niet groter te maken dan het is, maar aan elk onderdeel plezier te beleven. Maar ik zeg eerlijk: die derde plek had ik nooit verwacht. Evenmin dat totaal van 7.815 punten, bijna 400 boven mijn persoonlijk record. En dan te bedenken dat ik bij het kogelstoten en polsstokhoogspringen onder mijn niveau presteerde. Deze prestatie komt wel overeen met mijn ambitie, want ik wil de komende jaren in de top van de wereld meedraaien, om dat zo lang mogelijk vol te houden.”

In alles profileert Dekker zich als een evenwichtige sporter die precies weet wat hij wil. Tegen de achtergrond van zijn privéleven een opvallende eigenschap. Dekker komt uit een verscheurd gezin. Zijn ouders scheidden toe hij vijf was. Dat heeft zijn sporen nagelaten, temeer doordat Dekker sinds zijn zevende het contact met zijn vader heeft verbroken. „Ik wilde toen niet meer bij hem logeren. Het was gewoon niet leuk. Als ik bij hem was wilde ik zo snel mogelijk weg. Nu hoef ik hem niet meer te spreken. Zelf doet hij zo nu en dan enige moeite. Zo dook hij onverwacht bij een wedstrijd op. Ik zit er niet op te wachten. Ik ben tevreden met mijn stiefvader.”

Gevraagd naar een zelfanalyse spaart Dekker zichzelf niet. Hij vindt dat hij nog ernstig tekort schiet als speerwerper. „Qua postuur zou ik dat gemakkelijk moeten kunnen, maar op een of andere manier mis ik het gevoel en de beweging. Die polsbeweging blijft lastig. Mijn sterke punten zijn het hoog- en verspringen, maar vooral horden. Ik heb ook lang getwijfeld over horden of meerkamp.”

Volgens Bennema volgt Dekker het goede spoor. „Die jongen heeft alles mee; een groot lijf en precies met de goede verhoudingen. Tijdens wedstrijden laat hij zich niet van de wijs brengen, ook niet na een tegenvallende prestatie. Maar speerwerpen moet echt beter. Hij blijft steken op 42 meter, veel te weinig. Zijn leeftijdsgenoten gooien tientallen meters verder. Dat verschil is te groot.”

    • Henk Stouwdam