Emoties versus democratie

De ‘democratie van de publieke emotie’ van Maurice de Hond cum suis bedreigt het overlegmodel. Pak die stemmingendemocratie aan, schrijft Frank Hendriks.

Illustratie Angel Boligan

Er waart een geest door Nederland – de geest van de stemmingendemocratie. Hierin staat de stemming als publieke emotie én als beslismechanisme centraal. Sinds Plato wordt de stemming onder het ‘gemeene volk’ gevreesd, vooral door bestuurders. Lang werd de geest van de stemmingendemocratie in Nederland zo veel mogelijk in de fles gehouden en alleen kort en strak aangelijnd vrijgelaten, maar inmiddels lijkt er haast geen houden meer aan. Over alles en iedereen wordt tegenwoordig met graagte gestemd.

Nederland staat hierin niet alleen, maar is wel bijzonder, omdat hier ook nog steeds een andere geest rondwaart: die van de overlegdemocratie, die beheerste samenwerking altijd boven hartstochtelijke concurrentie stelde en pragmatisch beleid boven opwindende stemmingen. Hoewel de geest van de stemmingendemocratie snel terrein wint, laat de geest van de overlegdemocratie zich niet verjagen. De twee eisen beurtelings hun rol op. Dit brengt spanningen en uitdagingen met zich mee.

Neem de actuele politiek. Op de dag van de Tweede Kamerverkiezingen opent de Volkskrant met een tekening van Sigmund die suggereert dat de Nederlander gesteld is voor twee grote stembussen, getiteld ‘Rutte’ en ‘Samsom’, met daarnaast een minibusje, getiteld ‘overige stemmen’. De beeldtaal is Anglo-Amerikaans: er zijn twee kemphanen, van wie er maar één kan winnen. De twee leiders zijn niet, zoals vroeger, uitverkoren door partijbaronnen, maar hebben hun leiderschap verworven in partijverkiezingen.

Daags na de verkiezingen plaatst NRC Handelsblad een prent waarop de hoofden van Rutte en Samsom door vele handen naar elkaar toe worden gedrukt. Het is een treffende illustratie van de hardnekkige overlegdemocratie, die uiteindelijk toch altijd weer oproept tot ‘polderen’. Zo kreeg de Nederlander eerder geen kabinet-Balkenende óf -Bos, maar een coalitie met Balkenende én Bos. Zo treedt volgens het aloude overlegmodel een nieuwe coalitie met Rutte én Samsom aan, met als beeldmerk: de brug.

Maar de stemmingendemocratie slaat terug. Volgens peilingen van Maurice de Hond zou de VVD na coalitievorming 27 van de 41 Kamerzetels overhouden. TNS NIPO meldt dat slechts 45 procent van de VVD-stemmers weer VVD zou stemmen. Dit heeft te maken met de zorgpremies, blijkt ook weer uit de peilingen. Die zetten Rutte II aan tot beleidsaanpassingen, die de druk van de ketel lijken te halen. Een peiling van EenVandaag brengt verlossing: 61 procent van de VVD-kiezers zou tevreden zijn met de aanpassingen; 67 procent zou vertrouwen hebben in Rutte.

Jacques Tichelaar, voormalig fractievoorzitter van de PvdA, zei ooit: „Wat vandaag wordt ingezet, is volgende week weer van de baan, omdat De Hond zegt dat 62 procent van de bevolking het niet wil.” Zo werd de ANWB-peiling over het rekeningrijden door De Telegraaf opgevat als een officieus referendum: „Verpletterend nee, ruim 89 procent tegen kilometerheffing”. Tegen zulke cijfers is de politiek nauwelijks bestand.

Nederlanders zijn inmiddels volkomen vertrouwd met de taart- of staafdiagram die ‘aantoont’ dat zoveel procent voor iets of iemand is, en zoveel procent tegen. Voor en na officiële stemmingen met het rode potlood – die ook steeds indringender worden gepresenteerd als competitieve win-or-lose-plebiscieten – vinden veel officieuze stemmingen plaats, via surveys, monitors, internetpeilingen, Twitteranalyses en sms-stemmingen. De moderne informatie- en communicatiemedia maken het gemakkelijk. Grote delen van het publiek doen er graag aan mee. Op een wijkoverleg komt nauwelijks publiek af, hoewel mensen bereid zijn te betalen voor het meedoen aan een sms-stemming.

De stemmingendemocratie zal onvermijdelijk verder om zich heen grijpen. Dit zal de langer gevestigde overlegdemocratie in Nederland verder onder druk zetten. De grote vraag is hoe om te gaan met deze druk.

Het debat toont twee reacties. De ene vreest de ‘opstand der horden’ en wil alles in het werk stellen om de geest van de stemmingdemocratie terug in de fles te krijgen. De andere verheerlijkt the wisdom of crowds.

Beide reacties zijn kortzichtig. De stemmingendemocratie brengt reële risico’s en reële kansen met zich mee. De beroeps- en lekendemocraten van Nederland zullen bepalen welke uiteindelijk de overhand krijgen.

Als de stemmingendemocratie niet actief wordt aangepakt, krijgen De Hond en de roedel peilers en meters in zijn spoor inderdaad te veel macht. Voor hoe het niet moet, kunnen we naar Californië kijken. Daar is de stemmingendemocratie veel te ver doorgeschoten, bij gebrek aan tegenspel. Stemmingen domineren het democratische proces, dat daarmee veel wegkrijgt van een flipperkast. De ene stemming belooft meer wegen, de andere beter onderwijs of lagere belastingen.

Een voor Nederland aantrekkelijker scenario is waar te nemen in Zwitserland. Daar manifesteert de stemmingendemocratie zich ook sterk, maar anders dan in Californië staat daar een even sterke overlegdemocratie tegenover. De Zwitserse overlegelites pakken de stemmingendemocratie welbewust aan – vaak meesturend, soms tegensturend. Ze weten dat een kritische burgerij effectief gele of rode kaarten kan uitdelen, en doen dus hun uiterste best dit te voorkomen.

Zwitserland bewijst dat de spanning tussen overlegdemocratie en stemmingendemocratie productief kan worden gemaakt. In toenemende mate zien we dit ook in Duitsland, waar de stemmingendemocratie geleidelijk wordt toegevoegd aan de overlegdemocratie. De hervormingskeuzes van de Zwitsers of de Duitsers zijn niet zaligmakend. Verkieslijk is wel hun hervormingsstrategie, die de dubbelheid in de democratie wil benutten in plaats van wegpoetsen. Dit laatste is door democratische hervormers in Nederland vaak geprobeerd, telkens met weinig succes. Einstein zei ooit: „Dwaasheid is keer op keer hetzelfde blijven doen en andere resultaten verwachten”. Het is tijd om uit een ander vaatje te tappen.

Frank Hendriks is hoogleraar vergelijkende bestuurskunde aan de universiteit van Tilburg en auteur van Democratie onder druk: over de uitdaging van de stemmingendemocratie.