Een filosofische gereedschapskist

Het doel van politiek was volgens Aristoteles: Het goede leven. Dat maakt zijn invloedrijke Politica, voor het eerst – en voorbeeldig – in zijn geheel vertaald in het Nederlands, ook voor hedendaagse lezers relevant.

ls we de filosoof Blaise Pascal mogen geloven, hielden Plato en Aristoteles zich met politiek bezig voor hun genoegen. Ze zagen er een soort spel in, niet de ware filosofie: ‘Als ze over staatkunde schreven, was het als het ware om regels voor een gekkenhuis op te stellen’. Of Pascal gelijk heeft, is zeer de vraag; de geringschatting van de politiek lijkt me meer zijn eigen idee. Maar hij suggereert wel een goede reden om je nog altijd met klassieke politieke filosofie in te laten. Wie doet de politiek soms niet denken aan een ‘gekkenhuis’, dat wel een paar regels kan gebruiken?

Op het eerste gezicht lijkt het weinig zinvol om voor moderne kwesties te rade te gaan bij auteurs van zoveel eeuwen terug. De wereld is te zeer veranderd. Volgens de Duits-Amerikaanse politieke filosoof Leo Strauss was het inderdaad naïef pasklare oplossingen en remedies te verwachten van de klassieken. Wel konden ze de moderne lezer een adequaat begrip bijbrengen van de principes van het politieke denken – dat was tenslotte met hen begonnen. In dat denken gaan de veranderingen minder snel dan in de geschiedenis. Politieke principes en ideeën leiden een taaier leven dan de gebeurtenissen die we ermee hopen te vangen. Het nadeel daarvan is dat ze bijna altijd achter de feiten aanlopen, het voordeel dat ze misschien wijzen op een grotere continuïteit dan de permanente historische verandering ons voorspiegelt. In dat laatste schuilt de aantrekkelijkheid van de traditie, juist in tijden van crisis als de onze.

De vertaling van Aristoteles’ Politica komt dus precies op tijd, al hebben we er lang op moeten wachten. De nu verschenen vertaling van Jan Maarten Bremer en Ton Kessels is namelijk de eerste complete in het Nederlands. Daar staat tegenover dat het een voorbeeldige uitgave is geworden, voorzien van uitgebreide registers, een glossarium, een inleiding en verhelderende samenvattingen van de acht ‘Boeken’ waaruit de Politica bestaat. Eenvoudig is Aristoteles’ betoog ook in het Nederlands niet, maar de vertalers hebben er alles aan gedaan om de tekst zo toegankelijk mogelijk te maken. Een geweldige prestatie.

Wat de Politica zo lastig maakt, is dat het geen echt boek is. Wat we lezen zijn waarschijnlijk aantekeningen voor of van de lessen in Aristoteles’ Lyceum, die in deze vorm nooit voor publicatie bestemd zijn geweest. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is de tekst bovendien incompleet. Ook staat de volgorde van de verschillende ‘Boeken’, waarin het geheel door derden is onderverdeeld, niet vast. In plaats van met een voltooid en samenhangend boek hebben we te maken met een filosofische gereedschapskist, boordevol ideeën, begrippen, theorieën – waaruit de lezer kan halen waar hij behoefte aan heeft.

Sinds Aristoteles’ dood in 322 voor Christus is dat ook ampel gebeurd, zoals de vertalers laten zien in hun inleiding die uitmondt in een beknopt overzicht van de invloed van de Politica op het latere politieke denken, onder andere dat van Thomas van Aquino en Montesquieu. Zelf was Aristoteles in de leer gegaan bij Plato, maar van slaafse navolging was geen sprake, integendeel. Tegenover Plato’s idealistische, utopische aanpak valt Aristoteles op door zijn praktische, ja empirische benadering van de politiek.

Plato had in zijn Politeia een ideale staat ontworpen, met aan het hoofd een koning-filosoof. De filosofie regeert bij hem over de politiek. Zo niet bij Aristoteles, die vond dat de politiek iedereen aanging. De mens beschouwt hij als een zoön politikon, wat door Bremer en Kessels terecht wordt vertaald als ‘gemeenschapswezen’ en niet als ‘politiek dier’. Politieke dieren vind je op het Binnenhof, Aristoteles bedoelde dat een mens pas volledig mens wordt binnen het collectieve verband van de polis ofwel de stadstaat. En het belangrijkste kenmerk daarvan is onafhankelijkheid – ook ten opzichte van de filosofie. De filosoof denkt na over het politieke leven en brengt dat in kaart. Het is niet de bedoeling dat hij ook nog de leiding in handen neemt.

Misschien was het wel het beste als de voortreffelijkste mensen regeerden (en dat zouden ongetwijfeld ook filosofen kunnen zijn), maar in de praktijk kwam zoiets zelden voor. Vandaar dat de meeste aandacht niet uitgaat naar de monarchie en de aristocratie, waarin volgens Aristoteles’ definitie de besten regeren, maar naar de oligarchie en de democratie – in zijn ogen ‘ontaarde’ staatsvormen, waarin het belang van de bestuurders voorop staat in plaats van het algemeen belang. Bij de behandeling van de remedies om het politieke verval tegen te gaan, krijgen we zelfs allerlei machiavellistisch aandoende adviezen om de tirannie, de slechtst denkbare staatvorm, voor de ondergang te behoeden.

Het tekent de ‘objectieve’ of wetenschappelijke instelling van Aristoteles. Hij komt niet met een nobel doch wereldvreemd ideaal, maar bestudeert hoe het daadwerkelijk in de politiek toegaat, onder meer op basis van de 158 staatsinrichtingen die hij samen met zijn leerlingen had verzameld en waarvan helaas alleen die van Athene bewaard is gebleven. Zij vormen het empirische materiaal op grond waarvan Aristoteles zijn theorieën ontwikkelde. Dat onderstreept nog eens het verschil met Plato, die uitging van transcendente, bovenzinnelijke ideeën.

Toch gaat alle realisme bij Aristoteles niet ten koste van de ethische inzet van zijn politieke filosofie. Het doel van de polis is immers ethisch, te weten het goede leven, dat bij Aristoteles allereerst een morele invulling krijgt. Niet toevallig wordt de Politica aangekondigd in de laatste alinea van de Ethica Nicomachea: de politiek ligt in het verlengde van de ethiek. De volledige mens die de polis mogelijk maakte, was een gelukkig maar bovenal een deugdzaam mens. De beste staatsinrichting, waarover ook Aristoteles speculeert, diende zich dáárop te richten.

Deugdzaamheid was een zaak van aanleg, maar nog meer van opvoeding. Hier lag een taak voor de politiek, met als gevolg dat het laatste ‘Boek’ van de Politica grotendeels is gewijd aan de vraag hoe zo’n opvoeding tot deugdzaam burger eruit zou moeten zien. Het zijn nog altijd behartigenswaardige bladzijden, waarin Aristoteles een lans breekt voor een muzische in plaats van utilitaire vorming. Die laatste is misschien geschikt voor arbeiders, niet voor vrije mannen. Nu maar hopen dat genoeg Haagse politieke dieren Aristoteles hebben gelezen, wanneer straks beslist wordt over de toekomst van onze eigen opvoeding (CKV) in kunst en cultuur.

Typerend is dat Aristoteles het niet bij één ‘beste’ staatsinrichting heeft gelaten. Want behalve wat het beste ‘zonder meer’ zou zijn (een rechtsstaat met de voortreffelijksten aan het bewind), onderzoekt hij ook wat de beste staatsinrichting is als we uitgaan van de empirische werkelijkheid. Met Bismarck had hij kunnen zeggen: politiek is de kunst van het mogelijke.

Aristoteles komt uit op een regime waarin de ‘middenklassen’ domineren. Net als in zijn Ethica ligt het beste dat mogelijk en haalbaar is in het midden tussen twee uitersten, in dit geval de democratie (het regime van de onbemiddelden) en de oligarchie (het regime van de rijken). Aristoteles beste reële staatsinrichting, die hij politeia ofwel ‘burgergemeenschap’ noemt, heeft iets van beide maar zonder de nadelen ervan.

Opmerkelijk hierbij is de aandacht voor de economie, tegenwoordig misschien wel de meest bepalende factor in de politiek. Het is zelfs de vraag wie nu echt de macht in handen heeft: de politici of de financiële markten? Dreigt de economie of liever het kapitalisme niet de politiek op te slokken? Dat zou beslist niet naar Aristoteles’ zin zijn geweest, net zo min trouwens als het kapitalisme zelf.

Wanneer hij in het eerste ‘Boek’ het huishouden behandelt, als de kiem van de polis, en ook de bezitsvorming onderzoekt, is duidelijk dat geld en commercie door hem met het grootst mogelijke wantrouwen worden bezien. Waarom? Omdat ze grenzeloosheid in de hand werken. De begeerte naar geld en bezit kent geen einde meer, zodra de natuurlijke maat wordt losgelaten. En die natuurlijke maat ligt in het doel van de polis, in het goede leven: méér bezit dan daarvoor nodig is, hoeft niet vergaard te worden. Of het gaat mis.

Sinds het Darwinisme ons beeld van de natuur bepaalt, ligt het niet meer voor de hand om natuur en maat of grens aan elkaar te koppelen. Juist de grenzeloosheid van de kapitalistische begeerte (groei!) heeft nu iets natuurlijks, terwijl Aristoteles’ natuurlijke maat eerder een ethische en dus culturele norm is geworden.

Toch is niet elk verband tussen natuur en cultuur/ethiek weggevallen. Want wil de natuur leefbaar blijven (elke tuinier kan ervan meepraten), dan dient zij gecultiveerd te worden. Een kwestie van maaien, snoeien en knippen. Net zo dient er een nieuwe beteugeling van het kapitalisme te worden gevonden, maar dan wel los van de oude socialistische illusies die in de praktijk te vaak op hun tegendeel zijn uitgelopen.

Misschien kan Aristoteles hier nog altijd goede diensten bewijzen, als tegenpool van een utopisme dat eerder bij Plato thuishoort. Niet dat het verstandig zou zijn om, in zíjn trant, het kapitalisme nu als ‘tegennatuurlijk’ te gaan verketteren, juist niet zelfs. Evenmin is het raadzaam om zijn verdediging van de ‘natuurlijke’ slavernij over te nemen of zijn geloof in de superioriteit van de Grieken, die als volk het juiste midden zouden houden tussen de dappere, maar onbeschaafde noordelijke volkeren en de beschaafde, maar laffe Aziaten.

Realisme heeft nu eenmaal ook zijn prijs: het is bijna altijd tijdgebonden, vast als het zit aan de praktijken en opvattingen van de eigen werkelijkheid. Dat geldt niet minder voor ons, wij die anders dan Aristoteles en Plato (op dit punt opvallend eensgezind) al onze kaarten op de democratie hebben gezet. Maar Aristoteles’ nuchterheid en praktische zin zijn ook los van wat hij in concreto aanbeval of afwees te bewonderen en als stimulerend te ervaren.

Aristoteles vertegenwoordigt het ‘gezonde verstand’ in de politieke filosofie, meende Leo Strauss. Een waar woord, ook al lijkt hij soms vooral open deuren in te trappen, wanneer hij weer eens matiging of deugdzaamheid aanbeveelt – totdat je je realiseert hoe zelden zijn gezonde verstand in het historische ‘gekkenhuis’ aan het langste eind heeft getrokken.

    • Arnold Heumakers