Beste cultuursector, zo gaat het niet langer Dus: laat jezelf zien!

De culturele sector heeft de eerste golf van bezuinigingen geïncasseerd. Wat hebben ze gedaan? Kunsteconoom Arjo Klamer maakt de balans op.

Nederland, Amsterdam, 18-12-2012 Frank Ammerlaan PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2012

Een sterk land heeft sterke kunst, zo leert de geschiedenis. Het huidige kabinet wil dit land sterker maken. Hoe vergaat het dan de kunsten?

Het vorige kabinet bezuinigde zwaar op de kunsten met als argument dat op eigen benen de kunsten sterker staan. De eerste grote klappen zijn gevallen. Hoe erg is de situatie? Wat is de stemming in de kunstensector? Zien we nieuwe initiatieven?

Met een aantal van mijn studenten aan de Erasmus Universiteit heb ik geprobeerd antwoorden op deze vragen te vinden. We hebben gesproken met mensen uit de kunstwereld, onder wie leden van de Raad voor Cultuur, de Rotterdamse Kunststichting, het Fonds voor Podiumkunsten, het Nationaal Theater Fonds, Foam, Chassé theater, en diverse kunstenaars en kunstproducenten.

Het beeld dat uit deze gesprekken is gekomen, is onduidelijk. Van alles gaat slecht, tal van instellingen verdwijnen, veel mensen is ontslag aangezegd, de stemming rond de kunsten wordt als negatief ervaren, maar hoe erg dat alles is, blijft onduidelijk. We zien hier en daar nieuwe initiatieven, maar onder de indruk kunnen we nog niet zijn. Opvallend is de verwarring die we bij overheden vinden. Vooral lokale en provinciale overheden zoeken nog naar hun nieuwe rol. Belangrijk is ook dat van nieuwe steun uit de samenleving weinig is te merken, terwijl het daar toch van moet komen.

Gepke Bouma van de Rotterdamse Kunststichting ziet met lede ogen hoe belangrijke instellingen in Rotterdam zoals het Onafhankelijk Toneel, Danceworks en Kosmopolis de deuren sluiten. Landelijk komen daar tal van instellingen bij zoals de Engelenbak en het Tropentheater (het Metropole Orkest lijkt dankzij een intensieve lobby gered). Het Mediafonds is fini. Tal van mensen worden ontslagen, onder meer door musea die zwaar gekort worden. Dit is zonder meer erg voor al diegenen die zich jaren met hart en ziel hebben ingezet en nu met het gevoel leven dat het allemaal voor niets is geweest, en nog erger, dat het een verspilling is geweest.

Voor de mensen in de cultuursector is vooral die anti-stemming shockerend, met aantijgingen als dat men subsidieverslaafd is, dat wat ze doen een overdreven luxe en een vorm van zelfbevrediging is. Ze ervaren denigrerende uitspraken van politici en ander gezaghebbende figuren als een trap na. Waren zij, de creatievelingen, niet juist de levensader van deze samenleving? Gaat het in de nieuwe economie juist niet om versterking van creativiteit?

De indruk bestaat bij de theaterdirecteuren die we spraken en bij Henriëtte Post van het Fonds Podiumkunsten dat de anti-stemming funest is voor het theaterbezoek, dat inderdaad angstig snel afneemt. Wat niet helpt is dat het economisch slecht gaat. Met minder koopkracht gaan mensen minder naar het theater. Post merkt overigens op dat vooral commerciële producenten een terugval van bezoekers hebben te verduren. Omdat ook theaters worden gekort, willen die minder betalen aan gezelschappen die ook nog eens met minder subsidie moeten werken. Men houdt het hart vast over de gevolgen voor de podiumkunsten.

Desondanks durven de meeste van onze gesprekspartners geen duidelijke uitspraken te doen over de effecten op de kwaliteit van het aanbod. Jeroen Bartels van de Raad voor Cultuur is nog het meest uitgesproken over een dreigend kwaliteitsverlies wanneer hij wijst op de kaalslag onder kleinere gezelschappen die juist zo belangrijk zijn voor de experimenten en de innovaties.

Bartels vreest ook gevolgen van het drastisch snijden in de broedplaatsen van talent. Die zorg wordt door Henriëtte Post voor een deel weggenomen. Haar Fonds Podiumkunsten heeft een nieuwe regeling in het leven geroepen, waardoor jonge makers subsidie krijgen om bij bestaande gezelschappen een voorstelling te maken. Daar is 1,5 miljoen euro voor beschikbaar. Voor beeldende kunstenaars is het afwachten wat met hun instelling de Rijksakademie gaat gebeuren. Een min of meer afgedwongen samenwerking met De Ateliers moet soelaas bieden, maar de toekomst blijft ongewis.

Het valt de kunstenaarslobby, Kunsten ’92, overigens op hoeveel organisaties zijn gaan samenwerken of fuseren, om sluiting te voorkomen. De ervaring leert dat fusies zelden aanslaan. De lobby heeft daarom een hard hoofd in deze geforceerde defensieve beweging.

Het merendeel van de instellingen is naarstig op zoek naar ander geld. De tijd is er niet naar. De economische malaise maakt bedrijven zeer terughoudend, en de anti-stemming, zo wordt algemeen ervaren, heeft nadelige gevolgen voor de steun uit de samenleving die juist nu onontbeerlijk is. Of dat waar is, kunnen we moeilijk zeggen. Het genereren van ‘warm geld’, zoals wij donaties noemen, heeft tijd nodig, veel tijd, en ook heel veel werk. Het gaat om het opbouwen van relaties, het creëren van een cultuur van het geven. En daar is een cultuurverandering voor nodig in de sector zelf en onder hen die tot nu toe verwend zijn door gesubsidieerd van kunsten te genieten.

Hoe krijg je die mensen zover om nu de overheid het laat afweten, zelf iets voor goede kunst over te hebben? Marloes Krijnen, directeur van fotografiemuseum Foam, weet daar alles van. Het fotografiemuseum plukt nu de (financiële) vruchten van relaties en samenwerkingen, onder meer met een ‘aandelenplan’ dat dividend betaalt in de vorm van foto’s van jong talent.

Onze gesprekspartners zien allemaal weerbaarheid en bereidheid om nieuwe dingen te proberen. Nieuwe initiatieven komen wij inderdaad tegen. Het theatergezelschap Vis à Vis en het Museum Amsterdam zijn bijvoorbeeld ieder op hun manier ondernemend in het bedenken van nieuwe arrangementen en het aangaan van nieuwe verbanden. Opmerkelijk is het succes van de jongerentak van de Vereniging Rembrandt die leden toelaat voor 500 tot 1.000 euro met als doel kunstaankopen te sponsoren, en inmiddels een wachtlijst heeft.

Maar dit zijn schaarse lichtpunten. Veel cultuurmakers blijven terughoudend, is onze indruk. Te veel wordt vertrouwd op een toenemende opbrengst uit verkopen en meer sponsoring terwijl juist daar de klad in zit. De aloude marketingstrategie van het zoveel mogelijk kaarten verkopen met zoveel mogelijk publiciteit voor iedere voorstelling is echt achterhaald. De gedachte dat culturele instellingen vooral onderling moeten concurreren is dat ook.

Dit is de tijd voor een andere aanpak, voor creativiteit in het waarmaken van de kunsten. Te veel cultuurmakers zochten in hun zucht naar artistieke integriteit naar afzondering. Dat isolement is niet meer te handhaven. Kunst is een gesprek, zeggen wij. Alles wat culturele organisaties doen, zou dat gesprek moeten bevorderen. Zijn mensen geweest, dan willen ze worden herinnerd aan wat ze hebben beleefd. Soms willen ze meer betrokken zijn. Samenwerking van culturele organisaties is cruciaal om de concurrentie met andere vrijetijdsbestedingen aan te gaan. De cultuur heeft een goed verhaal nodig. Vertel wat de kunsten bijdragen aan een vol leven, en waarom creativiteit, verbeelding en poëzie onontbeerlijk zijn.

Samen met Cees Langeveld, hoogleraar economie van de podiumkunsten, heb ik ruim honderd ideeën voor creatieve manieren van financiering verzameld in het boek Pak Aan (2011), maar de respons valt ons tegen. We suggereren bijvoorbeeld dat culturele organisaties zoveel meer te bieden hebben dan voorstellingen, en kunstenaars meer waarde hebben dan hun werken, zoals hun creativiteit maar ook hun manier van werken en leven. Organisaties hebben daar wat voor over. (Adopteer een kunstenaar of een dansgroep!) Maak meer gebruik van crowdfunding. Laat weten hoeveel kunst kost. Financier voorstellingen door middel van aandelen. Zie mensen die kaarten kopen als potentiële ambassadeurs. Zet in op publiciteit na een voorstelling. Creëer betrokkenheid.

Mensen in de kunstensector blijven huiverig voor dergelijke initiatieven. Ze vrezen voor hun onafhankelijkheid en de kwaliteit. Marloes Krijnen, van het Foam, zegt daarover: „Ik denk dat je, in een grotendeels zelfstandig systeem steunend op donaties en sponsors zoals Foam, juist nog meer moet gaan letten op kwaliteit, onafhankelijkheid, en originaliteit, omdat alleen dan andere partijen met je willen associëren.”

Wij concluderen dat de echte veranderingen nog moeten komen. Het zal gaan om een andere houding in de kunstensector, een andere mentaliteit ook, met als doel het gesprek over de kunsten aan te zwengelen, en steeds meer mensen aan te spreken. Alleen dat kan de antistemming doen omslaan. Ook de overheden moeten een cultuurverandering ondergaan die volgens ons meer gericht dient te zijn op goed opdrachtgeverschap. Want een sterke kunstensector blijft hoe dan ook een algemeen belang. Cruciaal is ook een cultuurverandering bij de kunstliefhebbers. Het zijn zij die van hun subsidiegewenning af moeten komen, om bereid te zijn hun waardering voor de kunsten in klinkende munt uit te drukken. Want zonder die steun komt de kunstensector de klappen die hij nu krijgt niet te boven.

En daar wordt niemand beter van.

Arjo Klamer is hoogleraar culturele economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Het onderzoek is gedaan door Sophie Heyligers, Maarten van der Wulp, Willeke van Die, Lisa Brunink, Danitscha van Zijverden en Lodewijk Dekker.