Zonder fixers geen verhalen van het front

Journalisten steunen in conflictgebieden vaak op fixers. Met gevaar voor eigen leven doen die hun werk – onverzekerd en onbeschermd. Media zouden zich verantwoordelijker moeten voelen.

Gert van Langendock, correspondent voor NRC Handelsblad en nrc.next, aan het front nabij Bir Ayyad in Libië, samen met zijn fixers Siraj en Fathi. Hij draagt een kogelvrij vest, zij niet. Foto Caroline Poiron

„Tijdens de revolutie in Libië stroomden buitenlandse journalisten ons land binnen”, vertelt Suliman Ali Zway. Hij is Libiër, maar spreekt vloeiend Engels. „Zij hadden vertalers nodig. Dat was in eerste instantie mijn functieomschrijving. Maar ik kwam er al snel achter dat ik niet alleen moest vertalen, maar ook moest uitleggen hoe ons land werkt, hoe onze cultuur is, hoe de revolutie tot stand was gekomen. Dat kostte de hele dag. Dat was de eerste keer dat ik de term ‘fixer’ hoorde.”

Journalistiek vanuit conflictgebieden is risicovol, maar voor westerse journalisten ook prestigieus. Het is een baan met een gezicht: dan wel op tv, dan wel in vette letters in de krant. Maar het is ook een baan die een buitenlandse journalist niet alleen kan doen. Want wat de lezer en kijker niet ziet, zijn de lokale journalisten, zoals Suliman Ali Zway, die verborgen zitten achter de namen en beelden van correspondenten. Fixers.

Wat een fixer precies doet, is niet fixed, vertelt Peter Bouckaert. Hij is emergencies director bij Human Rights Watch (HRW) en beheert een Facebookgroep voor journalisten in conflictgebieden. De rol van de fixer kan logistiek zijn, bijvoorbeeld door overnachtingsplekken, brandstof en eten te regelen. Maar vaak is de fixer ook redactioneel betrokken, door contacten te leggen voor interviews of de correspondent van lokale context te voorzien. Vrijwel altijd vertaalt de fixer ook. „In landen als Israël en Libanon, waar al decennia conflict is, zijn veel professionele fixers”, zegt Bouckaert. „In landen als Syrië en Libië nog niet.”

Fixers zijn er sinds de Joegoslaviëoorlogen van de jaren 90. „Daarvoor werkten lokale mensen wel voor journalisten, maar velen waren ronduit crimineel”, zegt Charles Glass, die sinds 1973 werkt als buitenlandverslaggever voor ABC News, tijdens een lezing in Londen bij de Frontline Club – een organisatie die onafhankelijke journalistiek promoot. „Ze deden alles om zoveel mogelijk onkosten te declareren. Nu is de rol van de fixer geëvolueerd, omdat er niet zoveel geld meer omgaat in de media, en omdat fixers nu vaak gekwalificeerde lokale journalisten zijn.”

Fixers doen misschien wel het belangrijkste werk in de journalistiek, zegt Ilene Prusher bij diezelfde lezing. Ze werkte als journalist in meer dan dertig landen en bracht dit jaar de roman Baghdad Fixer uit. „Zonder hen zouden er geen verhalen zijn. Ze zijn een cultureel membraan tussen de westerse en lokale cultuur.”

De Irakese arts Lubna Naji begon in Bagdad als tolk-vertaler voor journalisten, maar ging steeds meer inhoudelijk bijdragen. „Ik ben gaan fixen omdat ik het gevoel heb dat veel verhalen over Irak niet worden verteld. Menselijke in plaats van politieke verhalen zijn voor mij belangrijk de wereld in te brengen.”

Inmiddels zijn Suliman Ali Zway en Lubna Naji geen fixers meer, maar ‘volwaardige’ journalisten. Ali Zway schrijft voor The New York Times, Naji voor persbureau AFP.

Zij zijn de succesverhalen. Maar het kan ook anders aflopen, zegt Molly Clarke, van The Rory Peck Trust, die freelance journalisten helpt. Neem de Syriër Ayman. Toen journalisten Syrië niet in mochten, zond hij beelden naar buitenlandse media. Later werkte hij als fixer. In augustus 2011 werd zijn huis overhoop gehaald door de veiligheidsdienst van president Assad. Hij vluchtte met zijn familie naar Jordanië. Daar woont hij nog steeds, in een vluchtelingenkamp.

Of Ajmal Naqshbandi. Hij was fixer voor de Italiaanse krant La Repubblica in Afghanistan. In 2007 werden hij en zijn Italiaanse collega ontvoerd. De Italiaan werd geruild tegen vijf Talibangevangenen, Naqshbandi werd vermoord.

Volgens de Committee to Protect Journalists kwamen in 2012 zeventig journalisten om als gevolg van hun werk. Vier waren buitenlandse correspondenten. De overige 66 zijn lokale journalisten, onder wie fixers. „Westerse journalisten denken niet genoeg na – bij lange na niet genoeg – over hoe ze verantwoordelijk kunnen zijn voor de dood van lokale mensen”, zegt Dan Murphy, chef buitenland bij de Amerikaanse krant The Christian Science Monitor.

Dat stelt ook Bouckaert (HRW): „Wij buitenlanders worden in een conflictgebied beschermd door onze internationale paspoorten. We kunnen weggaan als er iets mis gaat. Maar de fixers blijven achter. Zij worden opgepakt, in elkaar geslagen of vermoord door warlords die geen negatieve publiciteit wensen.”

Bovendien knappen fixers vaak het vuile werk op. Ilene Prusher: „In 2006 was het in Irak zo gevaarlijk – het was wachten tot de volgende buitenlandse journalist ontvoerd werd. Correspondenten werd geadviseerd in hun hotel te blijven en hun fixers de verslaggeving te laten doen. Zij zetten hun leven op het spel.”

En dat terwijl fixers veelal onverzekerd zijn. „Het grootste probleem is de relatie met de mediaorganisatie”, meent fixer Zway. „Fixers moeten net zo worden verzekerd als correspondenten. Het mediabedrijf kan niet voorkomen dat fixers worden gedood, maar kan wel een veilige toekomst voor hun familie garanderen.”

Ook de nazorg voor fixers is van belang. Neem Nizar Sarieldin uit Libië. Hij fixte voor diverse media en deed voor AFP verslag vanaf het front bij Misrata. Naderhand kreeg hij last van nachtmerries en flashbacks. Hij kon zich niet meer concentreren en werd in juni 2012 gediagnosticeerd met posttraumatisch stresssyndroom. The Rory Peck Trust haalde de getraumatiseerde fixer naar Kairo, voor behandeling.

Waarom willen fixers zulke risico’s eigenlijk lopen? Velen delen de motivatie van Naji: de wereld moet getuige zijn van het onrecht in hun land. Anderen doen het voor het geld. „Een fixer kan 200 tot 400 dollar per dag verdienen”, zegt Bouckaert (HRW). „In Syrië is dat een godsvermogen.” Bovendien geeft het werk status. „’s Avonds kunnen zij vertellen dat ze de militaire commandant van Aleppo hebben ontmoet.”

Volgens Bouckaert worden mediaconcerns zich bewuster van hun verantwoordelijkheid naar fixers. „Grote bedrijven praten veel over bescherming van freelancers en fixers. Zo is The New York Times openlijk begaan met ‘het goede doen’. Maar als het erop aankomt geld vrij te maken voor bescherming, evacuatie, veiligheid, dan is dat heel moeilijk. Er moeten wat minder praatjes zijn, en wat meer centen.”

Of journalisten met een fixer objectief kunnen zijn, is controversieel. Zo stelt David McDougall van de Canadian Broadcast Company, dat veel journalisten in Syrië leunen op fixers die aan de kant van de rebellen staan. „Ik was geschokt dat journalisten grote bedragen betalen aan fixers die wapens en handboeien dragen. Hoe kun je een objectief interview doen met een burger als er zo’n fixer naast staat?”

Ook gebruiken veel journalisten dezelfde fixers. Dat kan leiden tot eenvormige journalistiek; professionele fixers hebben voor elke journalist hetzelfde verhaal klaarliggen. Volgens McDougall is het de plicht van een correspondent een helder beeld te hebben van de achtergrond van een fixer. „In sommige gebieden zou je meerdere fixers moeten hebben, met verschillende achtergronden. Of helemaal geen fixer. Maar dat is meestal geen optie.”