Voor een goede stukadoor is er straks wel werk

Pretstudies? Mbo’s trokken er leerlingen mee. De vooruitzichten op de arbeidsmarkt krijgen inmiddels meer aandacht.

Alle studenten welzijn en onderwijs van het Albeda College in Rotterdam kregen vorig jaar een brochure met feiten en cijfers over de arbeidsmarkt en – belangrijker – de arbeidsmarktperspectieven. De studiekeuze blijft vrij, benadrukt de instelling voor middelbaar beroepsonderwijs, maar de boodschap is duidelijk. Zo staat achter de opleiding tot pedagogisch medewerker jeugdzorg: „geringe kansen”. Wie daarentegen kiest voor een baan in de bouw (metselaar, timmerman, stratenmaker) hoeft zich weinig zorgen te maken: „goede kansen”.

Bestuurslid Renata Voss is trots op de ‘arbeidsmarktbijsluiter’. „Wij willen mensen opleiden voor een baan, niet voor de bijstand.” Vandaar dat het Albeda, met 22.000 leerlingen een van ’s lands grootste mbo’s, heeft gekozen voor „een eerlijk en transparant beeld over wat je kansen zijn als je straks je diploma op zak hebt”.

Behalve informatie op papier krijgen leerlingen ook in persoonlijke ‘ombuigingsgesprekken’ te horen wat hun perspectieven zijn. Voss: „En als die op basis van de voorspellingen niet al te florissant zijn, dan vertellen we dat. Luid en duidelijk.”

Het Albeda College is daarmee een van de eerste regionale opleidingscentra (roc’s) in Nederland die snijden in eigen vlees. Jarenlang lieten mbo-scholen zich leiden door eigenbelang: hoe meer studenten, hoe meer overheidsgeld, hoe groter de eigen financiële armslag. Het leidde tot een wildgroei aan populaire en laagdrempelige opleidingen, terwijl de toekomstperspectieven in sommige sectoren ronduit belabberd zijn. Critici spreken steevast over ‘pretstudies’, doelend op opleidingen tot bijvoorbeeld paardenverzorger, artiest of theatermedewerker.

Het Albeda College telde ruim anderhalf jaar geleden nog 5.250 leerlingen welzijn en onderwijs. Dat zijn er nu 4.650. Van de tweeduizend nieuwe studenten kozen zeshonderd „na een indringend gesprek” alsnog een andere opleiding, vertelt Marion Klapwijk, directeur van welzijn en onderwijs. „We moeten ook wel dat eerlijke verhaal vertellen, want het aantal stageplaatsen in bijvoorbeeld kinderopvang en jeugdzorg is onder druk van de bezuinigingen in relatief korte tijd enorm afgenomen.” In sommige gevallen is het aanbod gehalveerd. Het aantal opleidingsplaatsen wordt de komende twee studiejaren verminderd naar 3.700.

Minister Jet Bussemaker (Onderwijs, PvdA) trekt de lijn door van haar voorgangster Marja van Bijsterveldt (CDA): het aantal mbo-opleidingen met weinig arbeidsperspectief wordt deze kabinetsperiode drastisch teruggebracht. ‘Pretopleidingen’ moeten plaatsmaken voor specialistische technische studies, zoals die voor horlogemaker of restauratiestukadoor – beroepen waar de komende jaren wél vraag naar is. Een licentiesysteem moet het studieaanbod beter afstemmen op de vraag uit het bedrijfsleven. Roc’s krijgen hun studies alleen nog vergoed na toestemming van het ministerie. „Er komen minder opleidingen en uitstroomprofielen, zodat de kwaliteit in het mbo kan toenemen”, vermeldt het regeerakkoord. En: „Kleine opleidingen worden in principe beëindigd.”

Sinds 1996 mogen roc’s zelf bepalen welke studies zij aanbieden, vanuit de gedachte dat zij de regionale behoeften beter kunnen inschatten dan ‘Den Haag’. Volgens het kabinet wijst de praktijk echter uit dat roc’s uit concurrentieoverwegingen vaak (dezelfde) populaire opleidingen aanbieden. Het aantal studies nam de afgelopen jaren toe, terwijl het aantal leerlingen stabiel bleef en in sommige regio’s zelfs afneemt. Het mbo telt nu ruim zeshonderd verschillende opleidingen, die samen goed zijn voor ruim een half miljoen leerlingen.

Ook FNV Jong luidde deze zomer de noodklok: roc’s leiden te veel jongeren op voor banen die er niet zijn. Zo bieden populaire mbo-opleidingen als die voor pedagogisch werker kinderopvang en medewerker beheer ICT geringe kansen. De opleiding helpende zorg en welzijn, met bijna achtduizend nieuwe leerlingen vorig schooljaar de populairste mbo-opleiding, geeft slechts 40 procent of minder kans op werk.

Volgens FNV Jong zou ook een numerus fixus de instroom effectief beperken. Dat gebeurt al bij een aantal mbo-opleidingen. Ook de voorlichting moet worden verbeterd, stelt de jongerenvakbond.

Jongeren blijken gevoelig voor status en geld. Dus vermeldt de voorlichtingsbrochure van het Albeda College ook de startsalarissen in elke sector. Techniek springt er bovenuit, met een brutomaandloon van bijna tweeduizend euro.

Het Albeda College betrekt zowel leerling als ouders bij de ‘ombuigingsgesprekken’. Niet om de druk op te voeren, zegt Klapwijk. „Maar om de betrokkenheid te vergroten. Wij hebben bovendien de maatschappelijke plicht om ouders te informeren.” De reacties zijn overwegend positief. Voss: „Ouders waarderen het dat we zo eerlijk zijn. Dat leidt niet altijd tot een andere keuze, maar wel tot een bewuste keuze.”

Het laatste middel om studenten tot inkeer te brengen, zijn voordrachten van leerlingen die de stap gewaagd hebben. En dus legt Cheslain Latubessy (19) een vol klaslokaal uit waarom zij haar zorgstudie verruilde voor een opleiding in de bouw. „Ja, je krijgt vieze handen. Maar ach, na afloop was je ze gewoon.”

    • Mark Hoogstad