Meester van de lach

Was Frans Hals een betere schilder dan bijvoorbeeld Rembrandt of Titiaan? Op een grote tentoonstelling in het jubilerende Frans Halsmuseum kan die vergelijking dit voorjaar gemaakt worden.

Frans Hals’ Portret van Jasper Schade

Frans Hals is aan de beurt. Ga maar na. Van de grote drie in de zeventiende-eeuwse Hollandse schilderkunst – Rembrandt, Vermeer en Hals – heeft hij in de afgelopen twintig jaar de minste aandacht gekregen.

Wie een indruk van zijn werk wil, kan die wel in etappes opdoen: in bijna alle grote musea voor oude kunst hangt wel een Hals, in het Frans Halsmuseum in Haarlem zijn (onder meer) vijf spectaculaire schuttersstukken en hij was heel goed vertegenwoordigd op de portrettententoonstelling Hollanders in beeld, vijf jaar geleden in het Mauritshuis in Den Haag. Maar voor een echt duidelijk beeld van zijn oeuvre zou je veel werk bij elkaar moeten zien, vroeg en laat, uit collecties in binnen- en buitenland. Zo’n overzicht hebben de jongste generaties kunstliefhebbers tot nu toe moeten missen. De laatste grote Hals-tentoonstelling vond in 1989/’90 plaats in Londen, Washington en Haarlem.

Maar 2013 wordt een Frans Halsjaar. Dat vinden ze althans in het Frans Halsmuseum, dat op 14 mei honderd jaar bestaat. Er komt een Frans Halsfestival in de Haarlemse binnenstad, de zomertentoonstelling in De Hallen gaat over moderne portretkunst ‘in het voetspoor van Hals’ en de belangrijkste tentoonstelling wordt Frans Hals oog in oog met Rembrandt, Rubens en Titiaan, die op 23 maart van start gaat. Vlak voor de heropening van het Rijksmuseum, dat dan ook geen werken in bruikleen geeft. Maar er komen wel topstukken uit Hals’ oeuvre uit andere musea: zijn Luitspeler (ca. 1632) uit het Louvre in Parijs, de peuter Catharina Hooft met haar verzorgster (ca. 1620) uit Berlijn en het portret van Jasper Schade (1645) uit Praag.

„Dat laatste werk is een van Hals’ beste individuele portretten”, zegt conservator Anna Tummers van het Frans Halsmuseum. „De gelaatsuitdrukking is heel goed gelukt, Schade ziet er echt uit als een zelfverzekerde rijke dandy. Flamboyant en een beetje hautain. Het portret is vorig jaar gerestaureerd en de restauratoren ontdekten toen dat het alla prima geschilderd is, dus in één keer. Nat in nat. Hals kon dat, en dat hielp hem om die vluchtige gezichtsuitdrukking te treffen.”

De losse schildertoets werkt ook mooi in de weelderige krullen van de jongeman en in zijn rechtermouw, die blikkert als gekreukeld aluminiumfolie. Een glamrocker in de zeventiende eeuw. Allerminst precies geschilderd en toch – of juist daardoor – hartstikke levensecht. Het werk van een virtuoos. „Hals was niet meer dan een vakman”, beweerde de negentiende-eeuwse Franse schilder en schrijver Eugène Fromentin in De meesters van weleer (nog altijd een lezenswaardig en leerzaam boek), „maar als vakman is hij wel een van de bekwaamste en bedrevenste meesters die er ooit in enig land zijn geweest, met inbegrip van Vlaanderen ondanks Rubens en Van Dyck, en met inbegrip van Spanje ondanks Velázquez.”

Wie is beter?

Wat Fromentin in zijn boek deed is precies wat Anna Tummers in de tentoonstelling gaat doen: Hals vergelijken met directe voorgangers en tijdgenoten. Het portret van Jasper Schade komt bijvoorbeeld te hangen naast portretten van dezelfde Schade en zijn echtgenote, die negen jaar later werden geschilderd door Cornelis Jonson van Ceulen. De bezoeker ziet straks in één oogopslag dat Hals Schade veel levendiger en onconventioneler weergaf dan Jonson van Ceulen, terwijl die in dezelfde tijd toch ook een vooraanstaand portretschilder was. „De bezoeker moet uiteindelijk zelf beslissen wat hij het mooiste vindt”, zegt Tummers, „dat doen wij niet voor hem. Wij hangen alleen vergelijkbare stukken naast elkaar, zodat mensen worden uitgenodigd om beter te kijken: hoe loste de één het op en hoe deed de ander het.”

Hals’ Luitspeler uit Parijs krijgt straks gezelschap van een luitspeler die ongeveer gelijktijdig werd geschilderd door de Utrechtse caravaggist Dirck van Baburen en van een Zelfportret als doedelzakspeler (ca. 1640) van de Vlaamse schilder Jacob Jordaens. Dat doedelzakspelen van Jordaens ging niet vanzelf: hij kijkt er nogal geconstipeerd bij. „Het is duidelijk dat het blazen hem grote moeite kost”, beaamt Tummers. „Terwijl de muzikant van Hals alleen maar plezier heeft in het spelen. Die zit lachend op zijn luit te tokkelen. Hals hield van lichte, luchtige emoties en kon die beter dan wie ook weergeven. Hij is echt een meester van de lach. De beschonken lach, de dromerige lach, de wat waanzinnige lach van Malle Babbe – een vrouw uit het gekkenhuis – of de onschuldige lach van een jongetje op een klein rond kinderportret in het Mauritshuis, dat ook op de tentoonstelling komt. Al die nuances wist hij te pakken.”

Rembrandts ruwheid

Voor een vergelijking tussen Hals en Rembrandt worden van de laatste de portretten van Jacob Trip en Margaretha de Geer ingevlogen, uit de National Gallery in Londen. Het bejaarde echtpaar deelt straks een zaal met Hals’ laatste regentenstukken, de groepsportretten die hij als tachtiger maakte van de regenten en regentessen van het Haarlemse Oudemannenhuis. „Dan krijg je de verwantschap en het verschil tussen Rembrandts late stijl en die van Hals te zien”, legt Tummers uit. „Allebei werken ze in de ruwe schildertrant die Hals’ leermeester Karel van Mander gevorderde schilders aanraadt in zijn Schilder-boeck uit 1604. Maar Rembrandts ruwheid is doorwrochter, doorwerkter. Hals schildert grof op een lossere manier, die dánst bijna met zijn penseel. Van de voorbeelden die Van Mander geeft lijkt Rembrandt meer op Titiaan en Hals meer op Tintoretto.” Ook van die beide Italianen komt er werk op de tentoonstelling.

Anna Tummers wijst op de magere hand van de voorste vrouw op het regentessenportret en citeert Hals-kenner Seymour Slive, die schreef dat deze ene hand ons meer over de broosheid van het leven vertelt dan een pakhuis vol vanitasstillevens. De pezige handrug en de dunne vingers zijn in 1664 al geschilderd in de suggestieve veegjes die drie eeuwen later het handelsmerk van de Franse impressionisten zouden worden.

„Dit is waar de modernisten op afkwamen”, zegt Tummers. „Dit is de reden waarom Haarlem eind negentiende, begin twintigste eeuw een soort bedevaartsoord voor schilders werd. Manet, Van Gogh – er zijn fantastische voorbeelden van kunstenaars die zich toen door Hals hebben laten inspireren. Daar is nog nooit een goede tentoonstelling over gemaakt. Hals en de modernisten, dat is nog wel een droom van mij. Misschien kan het in 2016, het volgende Frans Halsjaar, als hij 350 jaar dood is. Maar we gaan hem nu eerst vergelijken met zijn tijdgenoten.”

‘Frans Hals. Oog in oog met Rembrandt, Rubens en Titiaan’. 23 maart t/m 28 juli in het Frans Hals Museum, Groot Heiligland 62, Haarlem. Inl: franshalsmuseum.nl

    • Gijsbert van der Wal