Kunst heb ik altijd intimiderend gevonden

De Britse komiek Eddie Izzard wil burgemeester van Londen worden, of lid van het Britse parlement. „Ik neem de politiek heel serieus.” In april treedt hij op in Amsterdam.

Eddie Izzard Foto Merlijn Doomernik

Eddie Izzard wil de politiek in, zegt hij. „Ik mik op het jaar 2020. Dan wil ik gekozen worden tot burgemeester van Londen of tot lid van het parlement. Arnold Schwarzenegger kon het óók: van filmacteur tot gouverneur. Om nog maar te zwijgen van Ronald Reagan, de acteur die president werd. En mijn persoonlijke voorbeeld is de satiricus Al Franken, die speelde en schreef voor Saturday Night Live, en die nu als Democraat voor Minnesota in de Amerikaanse Senaat zit. Ik heb zijn campagne gesteund en steun hem nog steeds. Zo zeldzaam is het dus niet om over te stappen naar de politiek. Niet voor de rest van mijn leven, maar wel minstens voor één termijn. Nee, geen vaarwel, geen adieu. Maar op zijn minst au revoir.”

Izzard kijkt me in volle ernst aan. De vraag is alleen wat ik ervan moet denken. Als een komiek zoiets zegt – is dat dan serieus te nemen? Of is het zijn bedoeling dat ik in de lach schiet?

„Kijk maar op Google”, luidt zijn antwoord. „Het staat overal. Het is echt waar. Ik neem de politiek heel serieus. Mijn grappen komen bijna vanzelf voort uit mijn ideeën over allerlei belangrijke onderwerpen. Mijn shows beginnen altijd met een serieuze gedachte. De nieuwste, waarmee ik in april naar Nederland kom, is gebaseerd op een idee over de werking van het universum. Ik ga uitleggen hoe dat in elkaar zit. Verder roep ik vragen op over het gebrek aan logica in deze wereld. Ik vraag me bijvoorbeeld af waarom God het in vredesnaam op prijs zou stellen als iemand een ander mens, in Zijn naam, vermoordt. Dat kan toch niet logisch zijn? En nog zoiets: waarom heeft God het blijkbaar nodig om voortdurend te worden geprezen? Je vraagt je af of Hij langzamerhand al niet meer dan genoeg is geprezen. Hij lijkt de monarchie wel; ook die schijnt voortdurend met lof te moeten worden overladen. Terwijl ons koningshuis niets doet. Ja, ook dat meen ik serieus: de koningin voert geen klap uit. Ik heb het in mijn vorige show al gezegd: ik weiger iemand te aanbidden die niets doet. Of dat nu God of de koningin is.”

Maar is het dan niet wat frustrerend – die schaterlachende zalen voor een artiest die eigenlijk hoogst ernstige bedoelingen heeft bij wat hij zegt?

„Het publiek denkt inderdaad meestal dat ik een grap maak, terwijl dat lang niet altijd het geval is. Toen ik voor het eerst in het openbaar zei dat ik travestiet was, werd er óók gelachen. Het idee dat ik alleen maar een grapje maakte, begon pas te verdwijnen toen ik op het toneel ging staan met make-up en op hoge hakken. Het bleek dus wáár te zijn. Maar ik heb niet het gevoel dat ik word weggelachen. Ik ben nu eenmaal een komiek. Als je consequent doorredeneert op de thema’s waar ik het graag over wil hebben, stuit je al gauw op humor.”

Uiterste consequentie

Eddie Izzard (50) kan onbedaarlijk grappig zijn. Zijn grappen zijn vaak gebaseerd op de uiterste consequentie van de redeneringen die hij afsteekt: „Het zijn niet de geweren die mensen vermoorden, het zijn de mensen die mensen vermoorden. En apen ook, als ze een geweer hebben.” En: „De puberteit is de misselijkste grap die God met ons uithaalt. Dus je begint net notitie te nemen van de andere sekse: oh, oh, meisjes! En dan wil je er natuurlijk op je allerbest uitzien, maar God zegt: néé, je zult er slechter uitzien dan je er ooit in je leven uitzag!” Maar ook zijn losse opmerkingen zijn onnavolgbaar. Zoals, in een tirade die aanvankelijk over Paul McCartney ging: „Als je in hun ogen kijkt, zie je bij vissen geen enkele ambitie.”

In zijn eigen Groot-Brittannië, in Amerika en in enkele andere landen treedt Izzard tegenwoordig op in de grootste evenementenhallen die er zijn. Zo vond zijn vorige Nederlandse optreden drie jaar geleden plaats in de Heineken Music Hall in Amsterdam: twee avonden voor vijfduizend man. Als een popster kwam hij op, met een kloeke openingsfanfare en priemende lichtbundels. Maar zodra hij in zijn handmicrofoon begon te keuvelen – want meer lijkt het niet te zijn – schiep hij een intimiteit die in zo’n gigantische betonnen bak onhaalbaar leek. Ook in april staat hij daar weer, ditmaal drie avonden. In het kleine Comedy Theater in de Nes in Amsterdam, waar hij de Nederlandse media te woord staat, vraag ik hem of hij geen heimwee krijgt als hij zo’n klein toneeltje met zo’n klein podiumpje ziet. „Nee hoor”, zegt hij, „want ik sta ook nog vaak genoeg in kleinere zaaltjes. Ik heb dat idee gejat van de Rolling Stones: de ene keer in een stadion, de andere keer in een klein theatertje. Een beetje aanpassen, dat is alles. Ik wil in zo veel mogelijk landen optreden, en liefst ook in de eigen taal. In het Nederlands is me dat nog niet gelukt. Maar in Berlijn wil ik het graag in het Duits proberen. En in Parijs heb ik het al eens in het Frans gedaan. Vandaar de titel van mijn nieuwe show, Force majeure, die ook voor een Frans publiek begrijpelijk is. Ik heb een redelijke beheersing van het conversatie-Frans en voor de rest kan ik terugvallen op mijn broer, wiens Frans veel beter is.”

„Dat is tevens een reden waarom ik het nooit over partijpolitiek heb. Buiten het podium maak ik er geen geheim van dat ik een Labour-aanhanger ben. Maar in mijn shows heb ik het daar niet over. Dat zou voor een buitenlands publiek onbegrijpelijk zijn. Bovendien raakt de actualiteit snel gedateerd. Ik wil niet dat iemand over vijf jaar naar een dvd van mij zit te kijken en denkt: waar gáát dit over? Dan kun je het beter over dinosaurussen en supermarkten hebben – die zie je over de hele wereld.”

Hotelkamers

Hij springt van de hak op de tak, net als in zijn shows. Zo gaat ons gesprek opeens over kunst, zonder dat ik nog kan reconstrueren hoe dat kwam. „Ik heb kunst altijd intimiderend gevonden”, zegt hij. „Als ik naar dingen van Van Gogh kijk, bijvoorbeeld in de vele hotelkamers waar ik logeer, vind ik dat vaak prachtig. Briljante kleuren, daar hou ik van. Maar niet altijd. Terwijl ik pas enige affiniteit met Shakespeare begon te krijgen toen iemand me erop wees dat Macbeth gewoon een goeie thriller is. Maar het probleem is dat de experts je al bij voorbaat hebben voorgeschreven dat het allemaal Kunst met een grote K is. En ze staan niet toe dat jij daar soms iets anders van vindt. Damien Hirst heeft eens gezegd dat je, lopend door een museum, eigenlijk alle kunstwerken zou moeten kunnen aanwijzen en zeggen: shit, shit, geweldig, shit, mooi, shit, shit, shit, geweldig! Zonder je iets van de experts aan te trekken. Daar ben ik het mee eens, dat is de beste manier.”

Dat is, bedenk ik pas later, ook de manier waarop hij de onderwerpen in zijn shows benadert – alsof er nooit eerder al door anderen over is nagedacht, alsof hij de eerste is die erover begint. Met de open blik van iemand die zich overal over verbaast. Bijvoorbeeld over de gedachtensprongen van een Wikipedia-raadpleger die iets over lepels wil weten, en dan doorklikt naar helikopters. En daarna naar yoghurt.

Eddie Izzard: ‘Force majeure’, Heineken Music Hall, Amsterdam-Zuidoost, 18, 19, 20 april.