Ineens zit daar een knuffelmoeder

Vervolgverhaal over acht dames op leeftijd die achter een cijferslot doen aan kleinschalig wonen. In de hoofdrol mevrouw Niterink (86), moeder van Tosca Niterink.

Al in de glazen cijferslotsluis is het duidelijk, de kersttoon is gezet. Het marmeren Manneken Pisbeeldje lacht ons, verkleed als kerstman, toe. Met zijn watten baard, oranje voetbaltenue of als zwarte piet watert hij ons vrolijk elke hoogtijdag in de herinnering. Nu staat hij dus van onder zijn rode mantel tevergeefs in zijn marmeren piemeltje te knijpen, te droogplassen in de kapotte fontein.

De hele vrolijke club leeft nog, alle acht. Over sommige dames heb ik niet eerder geschreven, bijvoorbeeld mevrouw Pijnenburg, de poortwachter. Ze zit zoals altijd aan het hoofd van de lege eettafel te bladeren in roddelbladen en heeft haar rollator naast zich dusdanig opgesteld dat ze de de ingang van de huiskamer barricadeert, zodat iedereen moet vragen: „Sorry, mag ik er even langs?” Waarop zij dan weer geïrriteerd kan bitsen: „U kunt er toch makkelijk langs!” Waarop de andere partij moet stumperen met „juist ja, maar kan uw rollator wel ietsepietsie opzij?” Waarop zij boos wordt enzovoorts.

De reden dat ik niet eerder over haar geschreven heb, is omdat ik niet wist hoe, zonder haar of haar familie te kwetsen. Maar ik begrijp sinds kort dat dementerende dames belangrijke dingen vergeten. Zoals aardig doen tegen mensen of juist niet, of ermee bezig zijn wat de buren zullen zeggen of juist niet. Daardoor kunnen ze een persoonlijkheidsverandering ondergaan.

De huiskamer blinkt van zilveren en gouden dennentakken en scheef gedecoreerde papieren kerstklokken, naast de kerstboom zit mijn moeder hand in hand met haar twee kleinkinderen. Ze strelen allebei een hand van hun oma. Ik heb ze nog nooit zo close gezien. „Zo fijn”, zegt mijn nichtje terwijl ze mijn moeder over haar bol aait, „ik mocht vroeger nooit aan haar haar komen.” Inderdaad, dat mocht niemand en ik ook niet, maar mijn moeder is de laatste jaren ineens aaibaar geworden. Ze was nooit een knuffelmoeder of een schootwieger. Ik was altijd bang dat ze in tweeën brak. Of dat ik snot op haar boezem morste. Ze lijkt nu een aantal belemmeringen te zijn vergeten. Ze kijkt me verstrooid aan en vraagt: „En wie ben jij ook weer?”

Boem au! Sta ik in het donker? Heeft ze haar bril niet op? Ze is in ieder geval ver weg en blijft maar dezelfde vragen herhalen. Als we na een tijdje zachtjes over de begrafenis van onze tante Grada beginnen, is ze ineens weer bij de les.

„Wat, is Grad dood?”

„Ja mam...” Ze barst in snikken uit en roept: „Wat erg voor Gijs.”

„Gijs is ook dood mam.”

„Is Gijs, dood wat erg voor Grad!”

„Grad is ook dood mam...”

Ze blijft maar huilen.

„Het is net een klein kind dat moe is”, zegt mijn neef. Als ik uiteindelijk meedeel dat ik naar huis ga antwoordt ze: „Ja, ik ga ook.”

„Ik breng haar even naar bed”, fluister ik tegen de zuster. Als ik haar in bed leg, snikt ze: „Ik ben toch blij voor Grad dat we op de begrafenis van Gijs geweest zijn.” Ze ligt in haar pyjama onder de dekens in foetushouding. De zuster komt binnen. „Even kijken”, verontschuldigt ze zich en tilt het dek op, dan buigt ze voorover en geeft mijn moeder een zoen op haar bovenarm.

Foto’s:

    • Tosca Niterink
    • Anita Janssen